Fout bij het starten van de viewer

De configuratie kon niet worden geladen.

Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard

Toelichting

hoofdstuk 1 Inleiding

LEESWIJZER BIJ DE GECONSOLIDEERDE VERSIE VAN HET INPASSINGSPLAN BEDRIJVENTERREIN NIEUW REIJERWAARD - 12 november 2014

Dit betreft de toelichting bij de geconsolideerde versie van het Inpassingsplan Nieuw Reijerwaard. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 augustus 2014 met nummer 201306769/1/R6 is het Inpassingsplan Nieuw Reijerwaard op enkele onderdelen gewijzigd. Allereerst is ten gevolge van de uitspraak van de Raad van State een aantal wijzigingsbevoegdheden vervallen. Vervolgens is door Provinciale Staten van Zuid-Holland een nieuw besluit genomen voor het plandeel met de bestemming “Bedrijventerrein”. Dit betreft het opnemen van een voorwaardelijke verplichting bij de ingebruikname van het bedrijventerrein in relatie tot een adequate oplossing voor het verkeer ter plaatse van de IJsselmondse knoop en het vervallen van de mogelijkheid tot realisatie van categorie 4.2 bedrijven. Ten behoeve van dit besluit is nader akoestisch en verkeerskundig onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Deze toelichting is naar aanleiding van de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak en het bovengenoemde besluit door Provinciale Staten van Zuid Holland niet aangepast.

In de oksel van de A15 en A16, op het grondgebied van de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht wordt het Agrologistieke bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard ontwikkeld. De ontwikkeling omvat circa 96 hectare (netto) bedrijventerrein, verkeersmaatregelen, een groene inpassing aan de zijde van de Rijksstraatweg en windturbines. Voor deze ontwikkeling heeft de provincie het voorliggend inpassingsplan opgesteld.

1.1 Aanleiding en doel

Nadat een meerderheid van de Tweede Kamer zich in 2007 heeft uitgesproken tegen de ontwikkeling van een bovenregionaal, havengerelateerd bedrijventerrein in de noordrand van de Hoeksche Waard, is onderzocht of er voor de korte termijn alternatieve locaties voorhanden zouden zijn. Hiervoor heeft het toenmalige Ruimtelijk Planbureau in 2007/2008 een nadere verkenning uitgevoerd. Voor de provincie was daarbij enerzijds van belang dat er ruimte gevonden moest worden voor de behoefte aan havengerelateerde bedrijvigheid op korte termijn en anderzijds dat deze bedrijvigheid blijvend voor Zuid-Holland behouden zal blijven. Uit genoemde verkenning bleek dat zich voor de korte termijn mogelijkheden voordeden op de locaties Westelijke Dordtse Oever (WDO) en Nieuw Reijerwaard.

Gezien het rijksbelang van de alternatieve locaties voor de Hoeksche Waard zijn deze vormgegeven in een Randstad Urgent (RU) project. Doel van het project is te voorzien in de kortetermijn-behoefte aan 120 hectare (netto) havengerelateerd bedrijventerrein, voor de Rotterdamse regio en voor versterking van de Rotterdamse haven.

In 2009 zijn voor de locaties WDO en Nieuw Reijerwaard bestuursovereenkomsten getekend door alle betrokken partijen. Met de bestuursovereenkomsten hebben rijk, provincie en regiopartijen de handen ineen geslagen om de projecten te realiseren. Tevens heeft het rijk Nieuw Reijerwaard opgenomen als project in de Crisis- en Herstelwet, waarmee zij het belang van spoedige realisatie van het bedrijventerrein benadrukt.

Op 1 januari 2012 is de Gemeenschappelijke Regeling Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard (GR) opgericht. In de GR werken de gemeenten Ridderkerk, Barendrecht en Rotterdam samen aan de ontwikkeling van het bedrijventerrein.

1.2 Nut en noodzaak

Voorafgaand aan de realisatie van Nieuw Reijerwaard is uitgebreid onderzoek gedaan naar nut en noodzaak van het bedrijventerrein. Er zijn diverse onderzoeken die aantonen dat er behoefte is aan logistieke bedrijvigheid aan de zuidkant van Rotterdam. Ter voorbereiding op de besluitvorming over de alternatieve locaties Hoeksche Waard heeft Buck Consultants International (BCI) onderzoek gedaan naar de vraag en het aanbod van ruimte voor havengerelateerde bedrijvigheid in de omgeving van Rotterdam. Daaruit bleek dat er tot 2020 behoefte is aan aanvullend aanbod van bedrijventerreinen. Aanvullend daarop heeft het (toenmalig) Ruimtelijk Planbureau (RPB) in samenwerking met het Centraal Planbureau (CPB) in 2007 onderzoek gedaan. De Hoeksche Waard leek daarvoor de meest geschikte locatie. Toen echter deze optie verviel doordat een meerderheid van de Tweede kamer tegen ontwikkeling van deze locatie bleek, heeft het rijk gekozen voor de alternatieve locaties (WDO) te Dordrecht en Nieuw Reijerwaard te Ridderkerk. Daarbij is uitgegaan van een zogenaamd laag economisch groeiscenario, waarbij nog voldoende vraag bleek voor met name logistieke bedrijvigheid.

In 2011 heeft onderzoeksbureau Ecorys een actualisatie van de ruimtebehoefte naar bedrijvigheid uitgevoerd. Conclusie is dat, zowel tot 2020 maar ook daarna, ruimte nodig is voor logistieke bedrijvigheid. In het lage economisch groeiscenario wordt tot 2020 een behoefte aan ruimte voor bedrijvigheid voorzien van circa 400 hectare. Vanaf 2020 wordt een verdere behoeftevraag voorzien van nog eens circa 400 hectare. De grootste ruimtevraag wordt verwacht in de sector logistiek, waar ook Nieuw Reijerwaard voor wordt ontwikkeld. Het aandeel van de ruimtebehoefte voor de logistieke sector bedraagt circa 75% of meer van de totale vraag naar bedrijventerreinen tot 2030.

Een actualisatie van het vraag-en-aanbod-onderzoek is in 2012 door onderzoeksbureau Ecorys uitgevoerd. Er blijkt in de komende periode nog steeds een substantiële uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen in Groot-Rijnmond. Deze ruimtevraag doet zich zowel voor in de periode tot 2020 als tot 2030. De vraag komt voor een belangrijk deel uit de logistieke sector en is met name geconcentreerd op de linker Maasoever. Er zal zelfs in het huidig economisch laagtij, een conservatieve inschatting van de vraag en een optimistische inschatting van de ontwikkeling van aanbod elders een tekort ontstaan aan vestigingsmogelijkheden voor bedrijven. Nieuw Reijerwaard is het belangrijkste plan in de regio om het tekort op te vangen.

1.3 Provinciaal inpassingsplan

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. De Wro kent ten opzichte van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) een aantal nieuwe planvormen, waaronder een zogenaamd 'Inpassingsplan'. Inpassingsplannen zijn bestemmingsplannen die kunnen worden vastgesteld door het rijk of provincies wanneer sprake is van een nationaal of provinciaal belang. Een inpassingsplan maakt, zodra het onherroepelijk is, deel uit van een gemeentelijk systeem van bestemmingsplannen.

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 23 februari 2011 de startnotitie voor het inpassingsplan voor het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard vastgesteld en daarmee de opdracht gegeven tot het opstellen van een inpassingsplan. De voorbereiding van het inpassingsplan is door Provinciale Staten in de startnotitie bij Gedeputeerde Staten neergelegd.

Waarom een inpassingsplan?

De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard past niet binnen de vigerende bestemmingsplannen en betreft het grondgebied van de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht.

Op 21 december 2010 heeft de Stadsregio Rotterdam de provincie verzocht om het instrument inpassingsplan in te zetten voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard. De reden tot dit verzoek vormt de urgentie van de aanleg van het bedrijventerrein, aangezien deze:

  • onderdeel uitmaakt van het programma Randstad Urgent;
  • past binnen de Crisis- en herstelwet;
  • voorziet in de behoefte aan havengerelateerde bedrijventerreinen voor de Rotterdamse regio.

Op 11 januari 2011 hebben Gedeputeerde Staten besloten een inpassingsplan voor bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard op te starten. Conform de bestuursovereenkomst nemen de drie gemeenten de uitvoering voor hun rekening en de risico's op zich. De Stadsregio Rotterdam heeft de procesbegeleiding van de uitvoering voor haar rekening genomen gedurende de periode dat er nog geen Gemeenschappelijke Regeling (GR) was opgericht. Dit deed zij ook al, aangezien Nieuw Reijerwaard een uitvoeringsproject van het RR 2020 is. De provincie heeft de verantwoordelijkheid voor het inpassingsplan. De uitvoering hiervan wordt in nauw overleg met de betrokken gemeenten gerealiseerd.

1.4 Wettelijk kader

1.4.1 Relatie met de Wet ruimtelijke ordening

Per 1 januari 2010 is de digitale paragraaf van de Wro in werking getreden. Dit houdt in dat ruimtelijke instrumenten in digitale vorm beschikbaar moeten worden gesteld. Voorliggend inpassingsplan is digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar. Het plan kan op een eenvoudige manier worden uitgewisseld met andere overheden. De nieuwe digitale systematiek heeft weliswaar gevolgen voor het vertrouwde kaartbeeld en de opbouw van de planregels, maar sluit naadloos aan bij de in de toekomst aan een inpassingsplan te stellen eisen. Het inpassingsplan is opgesteld conform de eisen van de SVBP 2008. Het inpassingsplan wordt gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Het besluit zorgt voor versnelling van de besluitvorming en vermindering van bestuurlijke drukte. Een aantal rijksbelangen wordt met dit besluit geborgd in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen van overheden. Per 1 oktober 2012 is dit besluit aangevuld. Het bevat de onderwerpen mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

1.4.2 Relatie met Besluit m.e.r.

In de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. (gewijzigd 2011) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (activiteiten genoemd in bijlage C van het Besluit-m.e.r) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (activiteiten genoemd in bijlage D van het Besluit-m.e.r).

Voor m.e.r.-plichtige activiteiten geldt, dat bij wet is bepaald, dat in het kader van de plan- en besluitvorming een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of wel of niet de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen, niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu', die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk / noodzakelijk zouden maken. Dit doet zij op basis van door de initiatiefnemer aangedragen informatie, verzameld in een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling.

Onder de grenzen van de (vormvaste) m.e.r.-beoordelingsprocedure geldt voor activiteiten op de D lijst van het Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.- beoordeling waarin (als onderdeel van het ruimtelijk plan) gemotiveerd wordt dat ten gevolge van het besluit geen 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu' voor het milieu aanwezig zijn.

Ook indien uit een (vormvrije) m.e.r. beoordeling blijkt dat 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu' bestaan, dient alsnog een MER te worden opgesteld.

M.e.r. (beoordelings)plichtige onderdelen

Met een m.e.r. voor Nieuw Reijerwaard wordt invulling gegeven aan:

  • Plan-m.e.r.-plicht voor biomassavergisting, vanwege met mogelijk maken van verwerking van meer dan 50 ton niet gevaarlijk afval per dag. Het inpassingsplan is kaderstellend voor de vergunningverlening van de biomassavergisting (Bijlage D, artikel 18.1 van het Besluit-m.e.r.);
  • m.e.r.-beoordelingsplicht voor een industrieterrein (mogelijk maken industriële activiteiten, waaronder biomassavergisting) van meer dan 75 hectare (Bijlage D, artikel 11.3 van het Besluit-m.e.r.);
  • m.e.r.-beoordelingsplicht voor het bedrijventerrein, dat wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject van meer dan 100 hectare bruto;
  • vormvrije m.e.r.-beoordeling voor het windpark, vanwege het planologisch mogelijk maken van een windpark van minder dan tien windturbines, danwel een windpark met gezamenlijk vermogen van minder dan 15 MW.

Om aan de diverse m.e.r.-(beoordelings)plichten te voldoen is gekozen om bij het inpassingsplan voor Nieuw Reijerwaard een MER op te stellen. Deze is als bijlage bij het inpassingsplan opgenomen.

1.4.3 Relatie met de Crisis- en herstelwet

Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet in werking getreden. Deze wet is gericht op de versnelling van projecten in het ruimtelijke domein, om de economische crisis en haar gevolgen te bestrijden en een goed en duurzaam herstel van de economische structuur van Nederland te bevorderen. De wet voorziet in nieuwe / aangepaste procedures om zo doelgericht een bijdrage te leveren aan werkgelegenheid en duurzaamheid. Provinciale inpassingsplannen vallen onder de Crisis- en herstelwet. De Crisis- en herstelwet bevat twee categorieën maatregelen:

  • tijdelijke maatregelen en bevoegdheden voor projecten genoemd in bijlage I (categorieën van projecten) en bijlage II (concreet benoemde projecten);
  • wijzigingen van bijzondere wetten. Deze wijzigingen zijn voor alle projecten in het ruimtelijke domein van toepassing.

In bijlage I van de wet zijn de categorieën van gevallen benoemd waarop de tijdelijke maatregelen en bevoegdheden uit de wet van toepassing zijn. Onder 1.1 zijn de ontwikkeling en werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 Wro benoemd. Deze afdeling betreft de opstelling van inpassingsplannen door rijk of provincie. Voorgaande betekent dat de tijdelijke maatregelen en bevoegdheden van toepassing zijn op onderhavig inpassingsplan.

Nieuw Reijerwaard valt onder de Crisis- en herstelwet (bijlage II, project 13). Dit houdt voor het besluit concreet in:

  • geen verplichte advisering door de commissie voor de m.e.r. bij een besluitMER;
  • geen verplicht alternatievenonderzoek bij een besluitMER;
  • versnelling procedure Raad van State.

In de ruimtelijke procedure voor Nieuw Reijerwaard wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet biedt. Wel is het opgestelde MER ter advisering voorgelegd aan de commissie voor de m.e.r..

1.5 Geldende bestemmingsplannen

De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied passen niet binnen de vigerende bestemmingsplannen. Het gaat achtereenvolgens om de volgende bestemmingsplannen:

Gemeente Barendrecht

  • Dierenstein-Noord, Barendrecht ('94)
  • Bedrijven Dierenstein '84, Barendrecht ('85)
  • Bedrijven Dierenstein '81, Barendrecht ('81)
  • Veiling-/ Bedrijfsterrein, Barendrecht ('76)

Gemeente Ridderkerk

  • Landelijk Gebied 1972 (inclusief 4e en 5e herziening), Ridderkerk ('73)
  • Veren Ambacht, Ridderkerk ('99)
  • Rijsoord 1997, Ridderkerk ('99)

Onderhavig inpassingsplan vormt het juridisch-planologisch kader dat de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard mogelijk maakt.

1.6 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied bevindt zich op het grondgebied van de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht. Het bedrijventerrein zelf komt op grondgebied van de gemeente Ridderkerk en wordt globaal begrensd door de:

  • Krommeweg aan de noordoost- en noordwestzijde;
  • Rijksstraatweg aan de zuidwestzijde;
  • Hoogzandweg / Blaakwetering aan de zuidoostzijde.

Aan de zijde van de Rijksstraatweg wordt een aansluiting op de Veren Ambachtseweg gerealiseerd die tevens onderdeel uitmaakt van het plangebied. Deze aansluiting ligt gedeeltelijk binnen de gemeente Barendrecht.

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 150 hectare en bevat in de huidige situatie hoofdzakelijk (glas)tuinbouwbedrijven met bijbehorende bebouwing en gronden. In het plangebied bevinden zich verder een hotel / conferentiecentrum en enkele monumentale panden. Het gebied wordt doorkruist door de Voorweg en de Verbindingsweg. In figuur 1 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

1.7 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een overzicht gegeven van het relevante algemene beleid van rijk, provincie, Stadsregio en de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht. Hier wordt ingegaan op de beleidsmatige onderbouwing van Nieuw Reijerwaard en de aandachtspunten en randvoorwaarden uit het beleidskader. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 de locatiekeuze voor Nieuw Reijerwaard onderbouwd. In Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 is respectievelijk de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de MER verantwoording gegeven. In Hoofdstuk 7 worden de relevante milieuaspecten beschreven gevolgd door en beschrijving van de juridische planopzet in Hoofdstuk 8. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de voorgenomen ontwikkeling is vertaald in de juridische regeling. Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid en Hoofdstuk 10 gaan over de uitvoering van het plan. Aan de orde komen respectievelijk de economische uitvoerbaarheid, handhaving en beheer en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

verplicht

Figuur 1: Ligging en begrenzing van het plangebied Nieuw Reijerwaard

hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk is het ruimtelijk beleidskader van de verschillende overheidsinstanties beschreven dat betrekking heeft op de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard. Sectoraal beleid en wet- en regelgeving is weergegeven in Hoofdstuk 7, waarin de gebiedsaspecten zijn beschreven.

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 22 november 2011 - onder aanvaarding van een aantal moties - door de Tweede Kamer aangenomen en is begin 2012 in werking getreden.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit. Voor Nieuw Reijerwaard houdt dit in dat de realisatie van Nieuw Reijerwaard samen met Westelijke Dordtse Oever (aangewezen als Randstad Urgent-project) wordt voortgezet. De economische aantrekkingskracht van de Zuidvleugel van de Randstad wordt hiermee verder versterkt.

In de structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van nationaal belang. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren en op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van de ruimtelijke ordening.

Het kabinet richt zich bij de verbetering van het vestigingsklimaat vooral op de regio's die zorgen voor de meeste economische groei. Dat zijn de haven van Rotterdam en de luchthaven Schiphol (mainports), de toptechnologieregio zuidoost Nederland (brainport) en de greenports (tuinbouwclusters) Westland/Oostland, Venlo, Aalsmeer, Duin- en Bollenstreek en Boskoop.

De topsectoren - water, agro(logistiek) en food, tuinbouw, high-tech systemen en materialen, life sciences, chemie, energie, logistiek, creatieve industrie en hoofdkantoren - zijn geconcentreerd in stedelijke regio's, vooral rond deze mainports, de brainport en greenports. Het kabinet investeert samen met ondernemers en onderzoekers gericht in deze topsectoren.

De realisatie van Nieuw Reijerwaard met arbeidsintensieve logistieke en logistiek ondersteunende bedrijvigheid (hoofdzakelijk uit het agro-logistieke cluster) draagt bij aan de ambities voor de haven van Rotterdam (mainport) en de greenport Westland / Oostland.

verplicht

Figuur 2: gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven; 'Zuidvleugel / Zuid-Holland'

Visie Agrologistiek

In de 'Visie Agrologistiek' heeft het rijk de ambitie vastgelegd om te willen komen tot verbetering van de efficiëntie in de agro- en foodsector langs drie wegen. Op de eerste plaats door clustering van primaire productie, verwerking en distributie van agrarische producten en voedingsmiddelen. Ten tweede door clusters met elkaar te verbinden zodat aanvoer van grondstoffen en afvoer van producten gebundeld kunnen worden. Tenslotte door het beter regisseren, sturen en beheersen van goederenstromen.

Agroparken kunnen in dit verband een sleutelrol vervullen. Dit zijn ruimtelijke clusters van agrarische en niet-agrarische activiteiten. Dit concept biedt mogelijkheden voor het sluiten van kringlopen, het besparen van transport en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Ook wordt een transparante productiewijze mogelijk. De realisatie van Nieuw Reijerwaard geeft mede invulling aan deze ambitie.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Structuurvisie Zuid-Holland

De Structuurvisie 'Visie op Zuid-Holland' bevat de provinciale hoofdopgaven tot 2020 met de bijbehorende uitvoeringsstrategie en geeft een doorkijk naar 2040. In de Structuurvisie beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. Inmiddels is de Structuurvisie enkele keren herzien.

Op de kaart bij de Structuurvisie (zie figuur 3) is het plangebied aangeduid als 'bedrijventerrein'. De regels die daarvoor gelden zijn opgenomen onder het kopje 'Verordening ruimte'.

In de Structuurvisie is Nieuw Reijerwaard - samen met de Westelijke Dordtse Oever - als alternatief voor het voormalige transformatiegebied bovenregionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard aangeduid. Ook het rijk steunt deze ontwikkeling en heeft financiële middelen toegezegd. De provincie zet in op de realisatie van de bestemmingswijziging voor deze terreinen. De locaties bieden ruimte voor bovenregionale bedrijvigheid voor de komende jaren. Met het bestemmen van zowel de Westelijke Dordtse Oever als Nieuw Reijerwaard tot bedrijventerrein vervalt de zoeklocatie bedrijventerrein in de Hoeksche Waard. Om de ruimte voor bedrijventerreinen optimaal beschikbaar te houden, zijn bedrijfswoningen uitgesloten.

verplicht

Figuur 3: Uitsnede Structuurvisie Zuid-Holland met ligging plangebied

Op 26 januari 2011 hebben Provinciale Staten de Nota Wervelender vastgesteld met daarin de plaatsingsvisie. Vanaf 30 januari 2013 maakt deze nota deel uit van de provinciale Structuurvisie. In de plaatsingsvisie staat waar de provincie plaatsing van windturbines gewenst vindt en waar niet. Naast technische haalbaarheid is het landschap uitgangspunt voor plaatsingsgebieden. Langs grote wegen, kanalen en spoorwegen en in industriële gebieden is de landschappelijke inpasbaarheid groot. De lijnopstelling van windturbines sluit aan bij bebouwingscontouren en economische dynamiek.

In de plaatsingsvisie staat een aantal grootschalige locaties, zoals het Rotterdamse havengebied en de randzone van Goeree-Overflakkee. Verdeeld over de provincie zijn er kleinere locaties, waarvan sommige nog in studie zijn. Het karakter van het landschap noodzaakt om sommige gebieden te vrijwaren, bijvoorbeeld nationale landschappen als het Groene Hart en de topgebieden cultureel erfgoed. Natuurwaarde is ook een criterium en op grond hiervan zijn de Natura 2000-gebieden en de contouren van de Ecologische Hoofdstructuur benoemd. In al deze gebieden willen Gedeputeerde Staten windenergie niet toestaan.

Op basis van de plaatsingsvisie heeft een integrale afweging van de locaties plaatsgevonden. Studielocaties zijn die locaties waar nog nader onderzoek nodig is. Gewenste locaties zijn in principe (milieu)technisch en ruimtelijk haalbaar en vanuit het standpunt van de provincie gewenst, maar moeten nog worden onderschreven door de betreffende gemeente.

Het gebied in de oksel van de A15 en A16 is aangewezen als studiegebied voor de plaatsing van windmolens (zie nummer 44 in figuur 4). Dit gebied maakt onderdeel uit van het plangebied.

Op grootschalige bedrijventerreinen is de inpasbaarheid van windturbines volgens de nota Wervelender groot. Met de wijziging van de bestemming in bedrijventerrein, passen zodoende ook windturbines volgens de visie binnen het plangebied.

verplicht

Figuur 4: uitsnede kaart plaatsingsvisie windenergie (bron: Nota Wervelender)

Verordening Ruimte

In de Verordening Ruimte zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Formeel gelden deze regels voor inpassingsplannen. De Verordening heeft betrekking op een beperkt aantal onderwerpen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met ander provinciaal beleid. Het gaat daarbij vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale structuurvisie en het bijbehorende uitvoeringsplan. Bovendien moet worden voldaan aan de overige wet- en regelgeving, bijvoorbeeld het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, de Wet geluidhinder en de Natuurbeschermingswet.

In de verordening zijn twaalf kaarten opgenomen met daarin de volgende aspecten.

  • Bebouwingscontouren
  • Concentratiegebieden
  • Ecologische Hoofdstructuur (EHS)
  • Nationale landschappen
  • Provinciale landschappen
  • Kantorenlocaties
  • Bedrijventerreinen
  • Detailhandel
  • Waterkeringen
  • Veiligheidszonering
  • Lucht en helihavens
  • Molenbiotopen

Voor onderhavig inpassingsplan zijn vooral de regels omtrent 'bedrijventerreinen' van toepassing. De regels hiervoor uit de Verordening luiden:

SER-ladder voor nieuwe bedrijven- en zeehaventerreinen

Voor een aantrekkelijk en concurrerend vestigingsmilieu is de beschikbaarheid van een op de vraag afgestemd areaal bedrijventerreinen een belangrijke randvoorwaarde. Behoud van (binnenstedelijke) bedrijvigheid staat voorop, al dan niet gelegen op bedrijventerreinen. De afstemming tussen vraag en aanbod vindt plaats door intensiveren, innoveren en herstructureren van bestaande en geplande bedrijventerreinen.

In het kabinetsbesluit van 25 maart 2008, waarmee het kabinet heeft gekozen voor de ontwikkeling van de alternatieve locaties Hoeksche Waard (Nieuw Reijerwaard en Westelijke Dordtse Oever), is aangegeven dat de SER-ladder is toegepast. Dit is gebaseerd op onderzoek dat is gedaan door het Centraal Plan Bureau (CPB) in samenwerking met het (destijds) Ruimtelijk Plan Bureau (RPB): "Een ruimtelijke verkenning naar alternatieven voor de Hoeksche Waard" (2007). Daarin is de volgende passage opgenomen: "Alleen een beleidscenario dat uitgaat van een ingrijpende herstructurering (herprofilering), kan een serieus alternatief vormen voor het terrein in de Hoeksche Waard. De kosten van deze beleidsvariant zijn zeer hoog. Bovendien moet de ruimtewinst genuanceerd worden: niet alle nieuwe ruimte zal geschikt zijn voor droge logistiek en het zal moeilijk zijn deze ingrijpende herstructureringsoperatie vóór 2020 te realiseren. Verder overlapt deze ruimte waarschijnlijk voor het grootste deel met het aanbod dat impliciet al in de behoefteramingen is verwerkt. Tenslotte is er soms maatschappelijke (en politieke) weerstand tegen een logistieke functie op een herstructureringslocatie, omdat een terrein dat met veel geld is opgeknapt, gebruikt wordt voor 'dozen en gestapelde containers'. Herstructurering is daarom waarschijnlijk geen serieus alternatief voor de Hoeksche Waard."

Uitsluiten bedrijfswoningen

Om de ruimte voor bedrijventerreinen optimaal beschikbaar te houden, zijn bedrijfswoningen uitgesloten. Er is geen noodzaak meer voor bedrijfswoningen door de moderne communicatie- en beveiligingsmiddelen.

Hoogst mogelijke milieucategorie

Bestemmingsplannen/inpassingsplannen voor gronden die zijn gelegen op bedrijventerreinen moeten bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein mogelijk maken, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die mogelijk zijn op grond van een onherroepelijk bestemmingsplan/inpassingsplan of de provinciale structuurvisie.

Afwijkingsmogelijkheid na regionale afstemming

Afwijking van de eis dat in een inpassingsplan voor een bedrijventerrein de hoogste mogelijke milieucategorie moet worden toegelaten, is mogelijk indien in regionaal verband afspraken zijn gemaakt over het voorzien in voldoende ruimte voor bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie die mogelijk zou zijn op het bedrijventerrein.

In onderhavig inpassingsplan is aangesloten bij de uitgangspunten uit de Verordening Ruimte. Zo worden geen bedrijfswoningen toegestaan en wordt het principe van inwaarts zoneren toegepast. Nieuw Reijerwaard is bestemd voor met name agrologistieke (havenondersteunende) bedrijvigheid, waarbij bedrijvigheid tot en met maximaal milieucategorie 4.2 wordt mogelijk gemaakt. De Westelijke Dordtse Oever is meer bedoeld voor havengerelateerde bedrijvigheid in de zwaardere milieucategorieën (geluidzoneringsplichtige bedrijven).

verplicht

Figuur 5: uitsnede Verordening ruimte, kaart 'Bedrijventerreinen'

Beeldkwaliteitsparagraaf

De Verordening Ruimte wordt jaarlijks geactualiseerd. Op 29 februari 2012 is voor nieuwe ontwikkelingen lid 7 aan artikel 2 toegevoegd (vanaf 30 januari 2013 artikel 2, lid 3). Hierin is de verplichting opgenomen dat in het kader van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een beeldkwaliteitparagraaf opgesteld dient te worden in de toelichting van het ruimtelijk plan. In § 5.2 wordt naast het stedenbouwkundig plan ingegaan op de beeldkwaliteit.

Glastuinbouw

Vanaf 30 januari 2013 wordt in de Verordening Ruimte glastuinbouw op Nieuw Reijerwaard toegestaan, voor zover het gaat om glastuinbouw als extra bouwlaag boven bedrijfsbebouwing (artikel 4, lid 3)

Gebiedsvisie Deltapoort

Op 2 februari 2012 is de gebiedsvisie Deltapoort vastgesteld door de stuurgroep Deltapoort. rijk, provincie, gemeenten en waterschap hebben hiermee hun visie op de gewenste ontwikkeling tot 2025 gegeven. De visie is het resultaat van een gebiedsgerichte benadering die recht doet aan de diversiteit in het gebied en duidelijkheid biedt over de te volgen nieuwe koers.

Centraal staat de doelstelling om samen te werken aan de kwaliteitsverbetering en de concurrentiepositie van het gebied tussen Rotterdam en Dordrecht. Met deze visie wordt gevolg gegeven aan de opdracht van het Bestuurlijk Platform Zuidvleugel om de ruimtelijke kwaliteit en het vestigingsklimaat te verbeteren.

Het gebied heeft, door ondermeer versnippering en verrommeling, de afgelopen decennia aan kwaliteit ingeboet. Ongecoördineerde ruimtelijke ontwikkeling uit het verleden is daar voor een belangrijk deel debet aan. De visie onderschrijft het belang dat stad en land in Deltapoort fysiek, economisch en sociaal beter met elkaar worden verbonden. Het streefbeeld voor Deltapoort in 2025 is dat dit gebied aantrekkelijker is geworden om te wonen, te werken en te ontspannen. Onderdeel van de nieuwe koers is ondermeer de ambitie voor het ontwikkelen van het routenetwerksysteem. Waarbij een toegankelijk landschap, dat veelal in particulier bezit is, ontsloten wordt door een uitgebreid en divers routesysteem.

Ruimtelijke ontwikkelingen in de onderscheiden themagebieden vragen om een zorgvuldige inpassing afgestemd op de benoemde kernkwaliteiten. De sfeer het karakter de fysieke mogelijkheden en de ontwikkelpotentie verschillen per themagebied.

Bij de ontwikkeling van nieuwe activiteiten verdient met name de kwaliteit van de (landschappelijke) inpassing van projecten meer aandacht.

Voor het gebied Nieuw-Reijerwaard is de ambitie vanuit Deltapoort om te sturen op kwalitatieve ontwikkeling van de randen, de ontsluiting via de IJsselmondse knoop en de goede aansluiting met de A15/A16 met bijzondere aandacht voor de langzaamverkeerroutes. De nadruk ligt op het tegengaan van versnippering en het creëren van een groene overgang en aansluiting met de bebouwing langs de Rijksstraatweg. Bovendien is het de ambitie om de mogelijkheid te bieden om glastuinbouw te vestigen bovenop de bedrijven.

verplicht

Figuur 6: uitsnede gebiedsvisiekaart Deltapoort

Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020

Het Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020, kortweg RR2020, bestrijkt het grondgebied van alle bij de stadsregio Rotterdam aangesloten gemeenten en is bestemd voor de periode tot 2020. De kern van het RR2020 zit in de balans tussen verstedelijking en de kwaliteit van de leefomgeving. De regio behoort tot de dichtstbevolkte gebieden van Europa en vormt de leefomgeving van ruim een miljoen mensen. Tegelijk is het gebied als deel van de delta een economische motor voor Nederland en kent het ecologische en landschappelijke waarden die de regio zelf overstijgen.

Het plangebied is op de plankaart RR2020 (zie figuur 7) aangeduid als een potentieel zoekgebied voor nieuwe bedrijvigheid. Binnen het plangebied worden - naast gespecialiseerde glastuinbouwbedrijven - mogelijkheden geboden voor andersoortige bedrijven. Deze bedrijventerreinontwikkeling dient aangestuurd te worden op basis van een samenhangend ontwikkelingsconcept voor alle bedrijventerreinen in het gebied van Ridderster. Het RR2020 maakt de ontwikkeling van agrologistieke bedrijvigheid mogelijk, die regionaal is afgestemd en vastgelegd in de Bestuursovereenkomst.

verplicht

Figuur 7: uitsnede plankaart Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020

Regionale Netwerkanalyse Zuidvleugel en Samenwerkingsagenda

De Netwerkanalyse Zuidvleugel geeft een regionale uitwerking aan de afspraak in het Nationaal Mobiliteitsberaad om, als uitvloeisel van de Nota Mobiliteit en de provinciale, regionale en gemeentelijke mobiliteitsplannen, voor de elf stedelijke netwerken gezamenlijk een netwerkanalyse op te stellen. In de netwerkanalyse geven de samenwerkende overheden (rijk en regionale partners) aan hoe zij het regionale bereikbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ruimtelijke en economische ontwikkelingen willen aanpakken. Het doel van de analyse is te komen tot een maatregelenpakket en prioritering gericht op de verbetering van de regionale bereikbaarheid waar alle partijen hun bijdrage aan leveren.

Opgave voor de Zuidvleugel

De economische groei en de internationale concurrentiepositie van de Zuidvleugel staan onder druk. De aantrekkelijkheid van de Zuidvleugel voor internationaal opererende bedrijven hangt onder andere af van de mate waarin deze toegang hebben tot internationale (transport)netwerken en van de mate waarin deze bedrijven gebruik kunnen maken van agglomeratievoordelen. Dat stelt tevens hoge eisen aan de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de arbeidsmarkt. De opgave voor de Zuidvleugel is om potenties te benutten en uit te gaan van de sterktes van het gebied en tegelijkertijd de problemen aan te pakken. De toenemende verstedelijking en bedrijvigheid leveren immers niet alleen voordelen op, maar resulteren ook in verkeers- en vervoersknelpunten. Deze knelpunten moeten in samenhang met ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden bekeken, zodat een integrale afweging mogelijk is.

De ontwikkeling van de mobiliteit en de belasting van de beschikbare infrastructuur zijn dusdanig dat alle beschikbare oplossingsstrategieën moeten worden ingezet om de vitale functies van de Zuidvleugel bereikbaar en de economische concurrentiepositie op peil te houden. In het kader van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard is onderzoek uitgevoerd naar de aansluiting van het bedrijventerrein op de omliggende infrastructuur. De uitkomsten van dit onderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 5.

Masterplan Rotterdam Vooruit (MIRT-verkenning Regio Rotterdam en Haven)

In de MIRT-verkenning 'Regio Rotterdam en haven: duurzaam bereikbaar', kortweg Rotterdam Vooruit, wordt gestreefd naar een duurzame bereikbaarheid van de regio Rotterdam. MIRT staat voor Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport.

Het doel van de MIRT-verkenning Rotterdam Vooruit is onder andere te komen tot een gedragen beeld van de problematiek, de belangrijkste opgaven en de oplossingsrichtingen voor de bereikbaarheid van de Rotterdamse regio in de periode tot 2040 met multimodaliteit (auto, OV en fiets), integraliteit, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit als uitgangspunt. Bij de verkeerskundige onderbouwing in het kader van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard heeft deze doelstelling centraal gestaan. In hoofdstuk 5 is beschreven welke verkeerstechnische maatregelen worden genomen om het bedrijventerrein op de omliggende infrastructuur aan te sluiten. Daarbij wordt tevens bekeken in hoeverre knelpunten in de bestaande bereikbaarheidsproblematiek kunnen worden opgelost.

Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan 2002 - 2020

In het Provinciaal Verkeer- en Vervoer Plan (PVVP) van 21 januari 2004 beschrijft de provincie hoe zij de komende jaren haar beleid op het terrein van verkeer en vervoer vorm wil gaan geven. Daarbij komen onderwerpen aan de orde als bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid.

De provincie kiest voor een beleid van beheerste groei van de mobiliteit. Daarbij moeten tegelijkertijd de individuele wensen en eisen die reizigers en het bedrijfsleven aan de kwaliteit van hun mobiliteit stellen niet uit het oog worden verloren. Om de bereikbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving in stand te houden is ten eerste een kwaliteitssprong van het openbaar vervoer op alle niveaus vereist.

Vervolgens dient een vermindering van congestie en een verbetering van de bereikbaarheid plaats te vinden. Om die reden worden kwaliteitseisen gesteld aan de trajectsnelheden van de verschillende typen wegverbindingen.

Tot slot wordt gestreefd naar een toename van het fietsgebruik. Daartoe zal een volwaardig fijnmazig netwerk van zowel verkeersveilige, sociaal veilige, als comfortabele verbindingen moeten worden gerealiseerd.

De groei van de mobiliteit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de leefomgeving. Eén van de ambities van de provincie is dan ook het duurzaam verbeteren van de omgevingskwaliteit in Zuid-Holland door het oplossen van de belangrijkste knelpunten in de omgevingskwaliteit (te hoge uitstoot van vervuilende stoffen, geluidsoverlast en ruimtelijke versnippering) en het voorkomen van nieuwe knelpunten.

2.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Ridderkerk

De raad van de gemeente Ridderkerk heeft op 29 juni 2009 de Ruimtelijke Structuurvisie 2020-2030 vastgesteld. De Structuurvisie moet richting geven aan een aantal belangrijke keuzes voor de toekomst van de gemeente op het gebied van ruimte, voorzieningen en mobiliteit. Onderstaand zijn de beleidsuitgangspunten opgenomen, die betrekking hebben op de bedrijventerreinontwikkeling Nieuw Reijerwaard.

De omgeving van het verkeersknooppunt Ridderster is een belangrijk ontwikkelingsgebied voor Ridderkerk en de gehele regio. Het bestaat uit drie deelgebieden, Cornelisland, Nieuw Reijerwaard en Bolnes-Zuid. Ridderkerk kiest voor bedrijventerreinontwikkeling in Nieuw Reijerwaard en in Cornelisland. De planvorming voor Cornelisland is in volle gang. Bolnes-Zuid krijgt een overwegend groene invulling, er komt geen (regionaal) bedrijventerrein.

In Nieuw Reijerwaard wordt een grootschalige uitbreiding van het Agro-logistieke complex gerealiseerd. In het Ruimtelijk Plan voor de Rotterdamse Regio (RR2020) is het gebied als zodanig aangewezen. In de gemeenteraad is in oktober 2008 besloten om Nieuw Reijerwaard te ontwikkelen voor het AGF-cluster. Hierbij moet worden voldaan aan een aantal condities:

  • De bedrijvigheid moet voldoen aan het 'Agro-logistieke' profiel. Meer werkgelegenheid en arbeidsintensieve sectoren worden nagestreefd. Reguliere logistiek en distributie zijn hier niet gewenst.
  • De omvang moet realistisch zijn gezien de doelstellingen: uitplaatsing en vergroting van de bestaande werkgelegenheid op Dierenstein/Verenambacht.
  • De ontwikkeling moet samengaan met kwaliteitsverbetering op de bestaande bedrijventerreinen: duurzaamheid in de breedste zin van het woord.
  • Een goede landschappelijke inpassing en verbetering van de leefkwaliteit rondom het complex zijn essentieel. Veel aandacht gaat uit naar een goede landschappelijke inpassing aan de zijde van Rijksstraatweg en de overgang naar het zuidoostelijke landschap. Dit sluit aan bij het Integratiekader Deltapoort.
  • De optimalisering van de IJsselmondse knoop is een voorwaarde voor deze ontwikkeling.
  • Een goede verbinding voor langzaam verkeer en het openbaar vervoer tussen Ridderkerk, Nieuw Reijerwaard en Stedenbaanstation Barendrecht is noodzakelijk.

Met het vervallen van de Hoeksche Waard als locatie voor de ontwikkeling van een bovenregionaal havengerelateerd bedrijventerrein, is Nieuw Reijerwaard - samen met Westelijke Dordtse Oever - aangewezen als alternatieve locatie om deze bedrijvigheid op te vangen. Er zijn daarmee andere inzichten ontstaan met betrekking tot de functionele invulling van Nieuw Reijerwaard dan in de structuurvisie vastgelegd. De overige uitgangspunten uit de structuurvisie blijven onverminderd van kracht.

verplicht

Figuur 8: plankaart Structuurvisie Ridderkerk

Structuurvisie Barendrecht

Op 2 juli 2012 heeft de gemeenteraad van Barendrecht de Structuurvisie Barendrecht vastgesteld. De visie van de gemeente Barendrecht, zoals benoemd in deze structuurvisie sluit aan bij de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard. De Dierensteinweg is een herkenbare entree voor Barendrecht. De ontwikkelruimte in Barendrecht is beperkt. Het bestaande bedrijventerrein BT-Oost komt in aanmerking voor verdere ontwikkeling en herstructurering. De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard, als uitbreiding van het – in Barendrecht aanwezige – agricluster, wordt ondersteund.

Vigerende bestemmingsplannen

Landelijk Gebied, gemeente Ridderkerk

Voor het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' van de gemeente Ridderkerk. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 september 1972 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 17 oktober 1973. Binnen het bestemmingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming '(glas)tuinbouw, landbouw en veeteelt'. Ook nieuwe loonbedrijven zijn binnen dit plan mogelijk via een wijzigingsbevoegdheid.

Voor het terrein van het hotel / conferentiecentrum geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, 5e herziening' van de gemeente Ridderkerk. Dit plan is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 november 1999 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 4 juli 2000.

Gezien de strijdigheid met en gedateerdheid van het vigerende plan is met onderhavig inpassingsplan een passend juridisch-planologisch kader voor Nieuw Reijerwaard opgesteld.

verplicht

Figuur 9: plankaart bestemmingsplan 'Landelijk Gebied', gemeente Ridderkerk

In figuur 10 is een overzicht opgenomen met de vigerende plannen in en om het plangebied.

verplicht

Figuur 10: vigerende bestemmingsplannen in en om het plangebied

Bestemmingsplannen in ontwerp

De gemeente Barendrecht stelt voor de bedrijventerreinen ten noorden en zuiden van de rijksweg A15 in het oostelijk deel van Barendrecht en voor het overgrote deel gelegen tussen het spoor en de gemeentegrenzen met Rotterdam en Ridderkerk, waaronder BT-Oost, een nieuw bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Barendrecht Noordoost' op. In dit bestemmingsplan worden de plannen van de verschillende bedrijventerreinen geïntegreerd in één nieuw bestemmingsplan en wordt invulling gegeven aan de actualiseringverplichting uit de Wro. Met het plan neemt het aantal bestemmingsplannen af waardoor de samenhang tussen de diverse ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden in relatie tot de karakteristieken van het gebied beter tot zijn recht komt. Het bestemmingsplan en het inpassingsplan zijn zowel wat betreft planbegrenzing als betreft bestemmingen op elkaar afgestemd. Zo is in het bestemmingsplan de planologische ruimte van de Spoorlaan opgenomen.

2.4 Conclusie beleidskaders

De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard past binnen de vigerende beleidskaders. Het beleid is erop gericht om Nieuw Reijerwaard snel als alternatief voor het bedrijventerrein in de Hoekse Waard te ontwikkelen. De realisatie van netto 96 hectare bedrijventerrein in Nieuw Reijerwaard is van groot belang om op korte termijn te voorzien in de behoefte aan havengerelateerde bedrijventerreinen voor de Rotterdamse regio. De aanleg van het terrein is één van de projecten van de Crisis- en herstelwet die het rijk heeft opgesteld, om de gevolgen van de crisis te bestrijden.

hoofdstuk 3 Locatiekeuze

In onderhavig hoofdstuk wordt kort ingegaan op de locatiekeuze en de onderbouwing van het nieuwe bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard.

De aantrekkelijkheid van het bedrijventerrein in de vorm van een agrologistiek cluster laat zich op hoofdlijnen samenvatten door:

  • De beschikbaarheid van een breed en diep assortiment aan groenten en fruit;
  • De beschikbaarheid van gekwalificeerde medewerkers en de nabijheid van dienstverlenende bedrijven die op afroep diensten kunnen leveren die nodig zijn om de klanten snel te kunnen beleveren;
  • Een goede ligging, bereikbaarheid en infrastructuur;
  • Goede parkeervoorzieningen;
  • De prijs van de locatie;
  • De toekomstige mogelijkheden om uit te breiden.

De locatie Nieuw Reijerwaard sluit aan bij het bestaande agrologistieke cluster in de regio Barendrecht / Ridderkerk en kan goed worden ontsloten op de omliggende infrastructuur. Dit zijn de voornaamste redenen voor de locatiekeuze voor Nieuw Reijerwaard. Dit hoofdstuk beschrijft de keuze van het plangebied als meest geschikte vestigingsplaats voor het agrologistieke bedrijventerrein aan de hand van bovenstaande punten.

Beschikbaar assortiment en handelsstromen

De locatie ligt gunstig ten opzichte van de importstromen, die steeds meer via de Rotterdamse haven Europa binnenkomen, en in de nabijheid van Lansingerland en Westland als belangrijke glasgroenteteelt gebieden.

De Rotterdamse haven wil de Merwedehaven op termijn sluiten ten gunste van onder andere woningbouw en de activiteiten verplaatsen naar twee of meer locaties die op de zuidoever liggen. Dat zijn de Tweede Maasvlakte voor grote containerschepen (longsea) en de Eem-Waalhaven voor kleinere schepen (shortsea). Freshport Rijnmond komt daarmee relatief gunstig te liggen voor de importproducten in vergelijking met andere bedrijventerreinen in Zuid-Holland.

Grote (glasgroente) telers leveren in toenemende mate rechtstreeks aan de eindafnemers, veelal de distributiecentra van de supermarktorganisaties, die zelf voor de verdere logistiek zorgen naar de supermarkten. Deze ontwikkeling heeft gevolgen voor de behoefte aan bedrijfsruimte van de handel, met name voor handelsbedrijven die in de nabijheid van de glastuinbouwbedrijven liggen zoals in Lansingerland en Westland. In Barendrecht/Ridderkerk worden veelal mixladingen samengesteld die rechtstreeks naar de supermarkten kunnen worden vervoerd. Zij zijn sterker gerelateerd aan de import en export functie.

Freshport Rijnmond scoort hoog op de breedte en diepte van het assortiment. Ook de grootte van het bedrijventerrein en het aantal bedrijven zorgt ervoor dat er altijd wel een collega-handelaar is die een tekort aan product snel kan aanvullen. Dat is een belangrijk gegeven, omdat de supermarktorganisaties het voorraadbeheer bij voorkeur bij de toeleverancier leggen. Just-in-time levering wordt steeds belangrijker.

Op moment van aanleg van Nieuw Reijerwaard dienen de onderlinge verbindingen tussen de terreinen goed te zijn geregeld. Immers afstanden van meer dan één of enkele kilometers zijn niet gemakkelijk meer met lokale transportmiddelen te organiseren, en dan vervalt een deel van het voordeel van een lokale cluster.

Medewerkers en toeleverende bedrijven

Het bedrijventerrein in Barendrecht/Ridderkerk is reeds het grootste gespecialiseerde AGF-cluster in Nederland, met een groot aantal dienstverlenende bedrijven die elkaar versterken. Zo zijn er verpakkers of bewerkers van groenten en fruit op het terrein te vinden, is er koelcapaciteit, pallethandel etc. Freshport Rijnmond is in vergelijking met andere bedrijventerreinen in het voordeel.

Op het bedrijventerrein werken ruim 5.000 mensen, waarvan in toenemende mate ook goed geschoolde medewerkers. Door de concentratie van veel bedrijven is het beschikbaar zijn van voldoende hoog- en laagopgeleid personeel minder eenvoudig, zeker gezien de grote werkgelegenheid in de Rotterdamse haven. Barendrecht/Ridderkerk is vanouds een teeltgebied met relatief veel medewerkers met een traditie in de sector.

De te genereren arbeidsplaatsen op Nieuw Reijerwaard kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de behoefte aan arbeidsplaatsen met een lager opleidingsniveau. Met name in Rotterdam-Zuid is sprake van een hoge werkloosheid onder inwoners met geen of een lage arbeidskwalificatie.

Ligging, ontsluiting en infrastructuur

Het bedrijventerrein Barendrecht/Ridderkerk is bij uitstek gunstig gelegen aan de diverse uitvalssnelwegen vanuit de Randstad naar het achterland en het buitenland, via de A15 de A16 en de A29 (via de verlengde A4 naar Antwerpen) en via de rondweg Rotterdam en via de A20 en de A12. Vooral richting het zuiden en het oosten is dat een voordeel. Overigens zal de realisatie van de A4 en de aanleg van een nieuwe oeververbinding onder de Nieuwe Waterweg het verkeersbeeld en de concurrentiepositie van Freshport Rijnmond veranderen. De bedrijventerreinen zullen in transporttijd dichter bij elkaar komen te liggen.

Een ontwikkeling in de nabije toekomst is levering van verse producten via internet. Daar is een breed sortiment, flexibiliteit en met name een gunstige ligging ideaal. Barendrecht/Ridderkerk heeft die eigenschappen.

Parkeren

Het bedrijventerrein in Barendrecht/Ridderkerk heeft op dit ogenblik beperkte parkeervoorzieningen, voor personenauto's en vooral voor vrachtauto's. Met name het meest recente deel van het bedrijventerrein Barendrecht/Ridderkerk Verenambacht is daarvan een voorbeeld. Dit is gedeeltelijk te herstellen door op Nieuw Reijerwaard een moderne faciliteit te creëren voor vrachtauto's en hun chauffeurs. Een dergelijk parkeerterrein kan ook een wachtplaats zijn tot het moment dat de vrachtauto's direct kunnen oprijden naar de docks op andere delen van het terrein. Dit kan bijdragen aan het voorkómen van verkeerscongestie. Een collectieve voorziening compenseert pieken en dalen van de verschillende bedrijven, waardoor in totaal minder ruimte nodig is, dus ook minder kosten.

Op dit onderdeel is Freshport Rijnmond nu nog in het nadeel ten opzichte van de andere bedrijventerreinen in Zuid-Holland. Voor het nieuw in te richten terrein van Nieuw Reijerwaard is het een belangrijk aandachtspunt (zie ook § 5.2 Stedenbouwkundig plan).

Prijs

De prijs van de locatie is onderhevig aan de marktwerking. Freshport Rijnmond heeft op een aantal belangrijke criteria een sterke positie. Een bedrijventerrein dat voldoet aan de behoeften van de ondernemer en dat toekomstbestendig is, kan een goede grondprijs realiseren. Hoe beter invulling wordt gegeven aan de behoeften van de potentiële bedrijven des te beter zal de prijs zijn die bedrijven bereid zijn te betalen.

Toekomstige uitbreidingsmogelijkheden

Bedrijven kiezen een vestigingplaats veelal met een tijdshorizon van tien jaar. In de praktijk levert dit altijd knelpunten op: immers het gekochte terrein is na vijf jaar te klein, of na tien jaar ligt nog steeds een deel van het terrein braak. De verkaveling en indeling van het terrein zijn vaak bepalend voor de toekomstige uitbreiding. Het wegennet van subwegen met aan de achterzijde koppelbare percelen verhoogt de waarde van het terrein.

hoofdstuk 4 Huidige situatie plangebied

In de navolgende paragrafen wordt kort ingegaan op de ontstaansgeschiedenis en huidige kenmerken van het plangebied Nieuw Reijerwaard.

4.1 Ontstaansgeschiedenis

Korte bewoningsgeschiedenis

Het plangebied Nieuw Reijerwaard is vanaf het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) bewoond geweest. De oeverwallen langs de rivieren in de omgeving van het plangebied blijken sinds het ontstaan ervan al uitstekende locaties te zijn waar de mens zich - omgeven door een waterrijk landschap - heeft gevestigd. Na verlanding van de geulen ontstonden als gevolg van differentiële klink stroomruggen. De oudste stroomruggen zijn ontstaan in het neolithicum. De oude stroomruggen, geulafzettingen en rivierduinen in deze regio waren aantrekkelijke locaties voor vestiging vanaf het laat neolithicum (2850-2000 voor Chr.). De lager gelegen klei- en veengebieden werden vanaf de ijzertijd (800 tot 12 voor Chr.), de Romeinse tijd ( 12 voor tot 450 na Chr.) en de middeleeuwen bewoond.

Uit de vroege middeleeuwen zijn weinig sporen bekend, wat te maken kan hebben met de vele inbraken van de zee en daaropvolgende overstromingen en de algemene terugloop in de bewoningsdichtheid in Holland. Met name het verloren gaan van de Riederwaard ging met enorme krachten gepaard en heeft derhalve zeer waarschijnlijk tot een verslagen top van het toenmalige landschap geleid.

Op het minuutplan van het plangebied (ca. 1811-1830), is de huidige infrastructuur in het plangebied duidelijk te herkennen (de Verbindingsweg en de Krommeweg). Het gebied is onbebouwd. Ter plaatse van wat nu de Hoogzandweg is, ligt dan de Blaakwetering. Direct ten westen van het plangebied ligt een rij woningen langs de Koninklijke straatweg, in het plangebied zelf ligt één boerderij.

Op de topografische kaart van 1938 zijn langs de Voorweg meerdere woningen zichtbaar. Ook langs de Krommeweg is inmiddels sprake van meer bebouwing.

Op de topgrafische kaart van 1968 is een groeiend aantal kassen te zien in het plangebied.

verplicht

Figuur 11: uitsnede topografische kaart 1938 (links) en 1968 (rechts) (bron: www.watwaswaar.nl)

Op de topografische kaart van 1981 valt de realisatie van de Verbindingsweg en Rijksstraatweg in de huidige vorm op. De topografische kaart van 1995 toont de start van de ontwikkeling van Veren Ambacht.

verplicht

Figuur 12: uitsnede topografische kaart 1981 (links) en 1995 (rechts) (bron: www.watwaswaar.nl)

Bodem en hoogteligging

De gemiddelde maaiveldhoogte in het plangebied ligt op circa NAP -1,4 a -1,5 meter. Lokaal kan het maaiveld in het plangebied lager (tot circa NAP -2,0 meter) of hoger liggen (tot circa NAP -1,0 meter). Over het algemeen bestaat de deklaag in het plangebied uit klei variërend van maaiveld tot circa 1,5 tot 2 meter beneden maaiveld met daaronder een veenpakket met een dikte variërend van circa 2 tot 5 meter. Onder de veenlaag is een laag klei en leem aanwezig. De deklaag heeft een dikte van circa 13 à 14 meter.

verplicht

Figuur 13: uitsnede hoogteligging uit de AHN (bron: www.ahn.nl)

4.2 Ruimtelijke hoofdstructuur

Deze paragraaf gaat kort in op de huidige ruimtelijke elementen binnen het plangebied. Onderstaande figuur toont de voornaamste ruimtelijke elementen in en om het plangebied Nieuw Reijerwaard.

verplicht

Figuur 14: luchtfoto met ruimtelijke elementen plangebied

Bebouwing

In de huidige situatie bestaat de bebouwing binnen het plangebied hoofdzakelijk uit kascomplexen met bijbehorende (bedrijfs)bebouwing waaronder diverse bedrijfswoningen. De meeste bebouwing bevindt zich langs de Verbindingsweg en Voorweg. Aan de noordwestzijde van het plangebied bevindt zich een hotel / conferentiecentrum.

Ter plaatse waar de ontsluitingsweg richting de Veren Ambachtseweg wordt gerealiseerd, bevinden zich in de huidige situatie nog diverse woningen langs de Rijksstraatweg.

Binnen het plangebied liggen twee monumentale panden. Het gaat om een monumentale boerderij aan de Voorweg 2, die in gebruik is als woonboerderij en is aangewezen als Rijksmonument. Aan de Krommeweg is eveneens een monumentaal pand aanwezig. Dit pand is in het verleden afgebrand en wordt in de oude staat teruggebracht.

Groen en water

Groen

Naast het groen als begeleiding van de wegen, ontbreekt het in het plangebied aan (structureel) groen. Buiten het plangebied hebben de zones die grenzen aan de Rijkswegen een groene invulling. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het gebied van de boomgaard met een landschappelijke waarde. Deze maakt onderdeel uit van het provinciaal landschap en bevindt zich buiten het plangebied.

Water

Oppervlaktewater

Het plangebied ligt in het beheergebied van waterschap Hollandse Delta. Het plangebied maakt onderdeel uit van een poldersysteem en is gelegen in drie peilgebieden. Het grootste deel is gelegen in de peilgebieden 26A (Zwet) en 26B (Zwet). In het (zuid)oosten is een klein deel van het plangebied gelegen in peilgebied 27A (Reijerwaard).

verplicht

Figuur 15: peilgebieden Nieuw Reijerwaard

Grondwater

Onder de deklaag van circa 13 à 14 meter bevindt zich het eerste watervoerende pakket. Op basis van een peilbuis uit het Dino-loket blijkt dat de stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerend pakket iets hoger ligt dan de stijghoogte van het freatische grondwater. Hierdoor treedt in lichte mate kwel op in het plangebied. De freatische grondwaterstand bevestigt de grondwatertrappen (V en V*) die zijn aangegeven voor het plangebied met een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van minder dan 0,4 meter beneden maaiveld.

Grondwaterbeschermingsgebied

Ten noordwesten van het plangebied is een waterwingebied gelegen. Rondom het waterwingebied liggen een grondwaterbeschermingsgebied en een boringsvrije zone. Een deel van het plangebied is gelegen in de boringsvrije zone. Dit betekent dat een gedeelte van het plangebied te maken heeft met specifieke eisen bij (bouw)activiteiten. Deze zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening Zuid Holland. In de boringsvrije zone is het hebben van boorputten en het graven dieper dan 2,5 m verboden. Binnen het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied gelden strengere eisen. Op figuur 16 is de ligging van de boringsvrije zone te zien.

verplicht

Figuur 16: Ligging waterwingebied inclusief omliggende zones

Waterkering

Binnen en nabij het plangebied liggen enkele regionale waterkeringen. De Rijksstraatweg is een regionale waterkering die dient als compartimenteringsdijk. Dit geldt eveneens voor delen van de A15. Deze compartimenteringdijken zorgen ervoor dat, indien de primaire waterkeringen naast de rivieren doorbreken, niet het gehele beheergebied van waterschap Hollandse Delta inundeert. Voor het behoud van de waterkerende functie van deze waterkeringen zijn beschermingszones rondom de waterkeringen aanwezig.

Verkeer

In de huidige situatie wordt het gebied ontsloten via de Verbindingsweg en de Voorweg. De Verbindingsweg leidt van de IJsselmondse Knoop via het plangebied, over de A16 richting Ridderkerk. Hier gaat de Verbindingsweg over in de Populierenlaan, een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/h. De IJsselmondse Knoop betreft de samenkomst van verschillende wegen. Het gaat globaal om afslag 20 van de A15, de IJsselmondse Randweg die de noordelijke en zuidelijke afslag met elkaar verbindt en de hierop aansluitende wegen, waaronder de Dierensteinweg in westelijke richting en de Veren Ambachtseweg in zuidelijke richting.

Halverwege de Verbindingsweg ligt de aansluiting met de Voorweg. Het kruispunt is vormgegeven door middel van een rotonde. De Voorweg is een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom en sluit in het westen aan op de Rijksstraatweg. Het noordelijke gedeelte van de Rijksstraatweg is doodlopend voor autoverkeer (langzaam verkeer en de lijndienst kan wel passeren en bereikt zo de IJsselmondse Knoop). Via de Rijksstraatweg in zuidelijke richting kan verkeer rijden richting Rijsoord.

Figuur 17: huidige ontsluitingsstructuur

4.3 Functionele structuur

Agrarische bedrijvigheid

De voornaamste functie binnen het plangebied is (glas)tuinbouw. De verschillende bedrijven in het gebied zijn gesitueerd aan de Verbindingsweg en de Voorweg. Daarnaast bevinden zich in het plangebied enkele transport-, loonwerk- en agrarische bedrijven.

Wonen

De woonfunctie in het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit de bedrijfswoningen behorend bij de (glas)tuinbouwbedrijven en de woningen aan de Krommeweg. De woningen aan de Rijksstraatweg (circa 160) bevinden zich over het algemeen buiten het plangebied. Ter hoogte van de geplande ontsluitingswegen is sprake van doorkruising van enkele woonpercelen. De monumentale boerderij aan de Voorweg 2 is eveneens een agrarische bedrijfswoning. Verder liggen rondom de tweede ontsluitingsweg enkele woningen in het plangebied.

Overige functies

Aan de Krommeweg 1 bevindt zich een hotel / conferentiecentrum, die in onderhavig inpassingsplan is opgenomen. Het hotel / conferentiecentrum heeft uitbreidingsplannen, die met een wijzigingsbevoegdheid in het inpassingsplan zijn meegenomen. Voor de locatie is de bestemming uit het vigerende bestemmingsplan (Landelijk gebied, 5e herziening) overgenomen.

Aangrenzende functies

De voornaamste functies die grenzen aan het plangebied zijn de Rijkswegen A15/A16 en het agrologistieke bedrijventerrein Veren-Ambacht (Ridderkerk)/BT-Oost (Barendrecht). Nieuw Reijerwaard sluit zowel functioneel als ruimtelijk aan op deze bedrijventerreinen.

hoofdstuk 5 Ambities planopzet

Dit hoofdstuk gaat in op toekomstplannen voor Nieuw Reijerwaard. Naast de algemene ambities voor het bedrijventerrein wordt daarbij ingegaan op de ruimtelijke en functionele opzet van Nieuw Reijerwaard.

5.1 Ambities en planuitgangspunten

5.1.1 Ruimtelijke en functionele ambities

Nieuw Reijerwaard biedt ruimte aan bedrijvigheid die vergelijkbaar is met die op de bestaande bedrijventerreinen Veren Ambacht (Ridderkerk) en BT-Oost (Barendrecht). De focus ligt op arbeidsintensieve agrologistiek met aanverwante bedrijvigheid.

Nieuw Reijerwaard is bedoeld voor een specifiek segment: agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en be- en verwerkende agrologistiek. Er kan samenwerking en versterking ontstaan tussen de te vestigen bedrijvigheid. De samenwerking moet ontstaan door onderlinge levering, uitwisseling en/of gezamenlijk gebruik van procesinstallaties en utilities, grondstoffen, producten, energie, water, reststromen, (inkoop van) diensten, personeel, Research & Development, etcetera.

Nieuw Reijerwaard biedt ruimte aan bedrijvigheid die vergelijkbaar is met die op de bestaande bedrijventerreinen Veren Ambacht (Ridderkerk) en BT-Oost (Barendrecht) met kavels van veelal twee tot vijf hectare. Op enkele locaties zijn kleinere kavels mogelijk voor ondersteunende bedrijvigheid. De focus ligt op arbeidsintensieve agrologistiek met aanverwante bedrijvigheid.

Conform de Verordening ruimte wordt op Nieuw Reijerwaard de hoogst mogelijke milieucategorie mogelijk gemaakt, met uitzondering van milieucategorie 5 en 6, welke niet passen binnen de agrologistieke doelstelling van het terrein. Om de toekomstige bedrijvigheid niet in hun bedrijfsvoering te beperken, worden op Nieuw Reijerwaard binnen de bedrijfsbestemming geen bedrijfswoningen toegestaan en zijn bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 niet mogelijk. De indeling van milieucategorieen op het bedrijventerrein gebeurt op basis van het principe inwaarts zoneren (zie ook § 7.1)

Verder worden zelfstandige kantoren uitgesloten op Nieuw Reijerwaard evenals geluidhinderlijke inrichtingen conform de Wet geluidhinder. Hogere milieucategorieen en geluidhinderlijke bedrijven zijn voorzien op de Westelijke Dordtse Oever.

5.1.2 Te behouden functies

Binnen het plangebied blijven de bestaande Verbindingsweg, een groot deel van de Voorweg, het hotel / conferentiecentrum, de ondergrondse gastransportleidingen en de monumentale panden aan de Krommeweg en Voorweg behouden. Deze zijn uitgangpunt voor het stedenbouwkundig ontwerp van Nieuw Reijerwaard en in onderhavig inpassingsplan opgenomen.

Aan de zijde van de Rijksstraatweg wordt een aansluiting op de Veren Ambachtseweg gerealiseerd die tevens onderdeel uitmaakt van het plangebied. Om deze aansluiting te realiseren, is sprake van de sloop van enkele woningen. Het overige gedeelte van de Rijksstraatweg en de daaraan gelegen bebouwing vallen buiten het plangebied van het inpassingsplan en blijven ongewijzigd. Ter plaatse van de doorsteek van nieuwe infrastructuur onder de Rijksstraatweg (waterkering) wordt een mechanische waterkering gerealiseerd.

Het inpassingsplan maakt het huidig gebruik van het hotel / conferentiecentrum mogelijk. Voor de locatie waar de uitbreidingsplannen van de hotelketen zijn voorzien, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

5.1.3 Integratiekader Deltapoort

Nieuw Reijerwaard maakt deel uit van het integratiekader Deltapoort. Deltapoort maakt onderdeel uit van een gezamenlijke inspanning van de Provincie Zuid-Holland, Stadsregio Rotterdam, regio Drechtsteden, de gemeenten Barendrecht, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Ridderkerk, Rotterdam, Zwijndrecht en het Waterschap Hollandse Delta. De ambitie van het project is het landschappelijk aantrekkelijker, toegankelijker en beter bereikbaar maken van dit gebied voor de inwoners in samenhang met het versterken van de economische ontwikkeling. Deze ambitie is verwoord in de Integrale Gebiedsvisie Deltapoort, zoals deze op 2 februari 2012 door de Stuurgroep Deltapoort is vastgesteld. Bij de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard dient met deze regionale ambitie rekening te worden gehouden.

5.1.4 Energie en Duurzaamheid

De ambitie is om van Nieuw Reijerwaard een duurzaam bedrijventerrein te maken. Dit uit zich allereerst in een efficiënt en meervoudig grondgebruik, met compacte, zo veel mogelijk aaneengesloten bebouwing en stapeling van bedrijfsruimten.

Compact bouwen draagt tevens bij aan beperking van de energievraag: er is minder buitenoppervlak waarlangs opwarming of afkoeling kan plaatsvinden.

Energievraag

De grootste component in de energievraag van de toekomstige bedrijven wordt naar verwachting veroorzaakt door de behoefte aan koeling. Bij moderne, toonaangevende bedrijven bedraagt dit aandeel ruim 80% van de totale energievraag. Het loont dus zeer de moeite om innovatieve mogelijkheden te onderzoeken om deze energiebehoefte te reduceren (passieve koeling, koeling via bodem of grondwater, vegetatiedaken). Daarnaast biedt de locatie uitgelezen mogelijkheden voor het benutten van duurzame energiebronnen zoals zon en wind.

Windenergie

In het convenant windenergie tussen onder andere de stadregio Rotterdam, de provincie en de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht is de locatie Nieuw Reijerwaard opgenomen als een gebied voor windenergie. Het voorziene vermogen van dit windpark is 9 MW.

Met de situering van drie windturbines van ieder circa 3 MW langs de Blauwe wig wordt hieraan invulling gegeven. Het gaat dan om turbines met een ashoogte en een rotordiameter van circa 100 meter. De maximale tiphoogte wordt vastgelegd op 150 meter hoogte. Deze turbines hebben een jaarlijkse elektriciteitsproductie van circa 20.000 MWh. Dit komt ongeveer overeen met het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van circa 5.000 huishoudens.

Zonne-energie

Nieuw Reijerwaard heeft in de eindsituatie een dakoppervlak van circa 60 hectare (en daarnaast een groot oppervlak aan zuid gerichte gevels). Indien 80 % van alleen het dakoppervlak ingezet zou worden voor de opwekking van zonnestroom dan betekent dit een jaarlijkse energieproductie van circa 40.000 MWh. Dit komt ongeveer overeen met het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van 11.000 huishoudens.

Warmte-uitwisseling glastuinbouw

De agro-logistieke bedrijven hebben door hun behoefte aan koeling een groot overschot aan vrijkomende warmte. Deze warmte zou gebruikt kunnen worden door de nabijgelegen glastuinbouwbedrijven die juist een behoefte aan verwarming hebben. Ook is het denkbaar glastuinbouwbedrijven te situeren op de agro-logistieke bedrijven. Een vorm van meervoudig grondgebruik die tevens andere synergetische voordelen kan opleveren.

Biomassa-vergisting

Door de concentratie van agro-logistieke bedrijven komt naar verwachting een omvangrijke en continue stroom van bioafval vrij. Een vergistingsinstallatie kan dit afval verwerken tot biogas. Afval wordt aldus gebruikt als grondstof en als energiebron. Waar het milieutechnisch inpasbaar is wordt een vergistingsinstallatie mogelijk gemaakt binnen het plangebied. De vergisting is primair voor verwerking van agro/food afval van Nieuw Reijerwaard en wordt mogelijk gemaakt binnen het gehele plangebied.

Bij installaties voor biomassavergisting zijn op hoofdlijnen twee mogelijkheden. In de meeste gevallen is de installatie voorzien van een verbrandingsinstallatie voor het biogas, waarmee elektriciteit wordt opgewekt. Die energie kan binnen het plangebied worden gebruikt of aan het elektriciteitsnet worden geleverd. Bij de verbranding van het gas komen stikstofoxiden (NOx) vrij. Een tweede mogelijkheid is om na de vergisting de verbranding achterwege te laten en het biogas op te waarderen tot groen gas. In dat geval komen geen stikstofoxiden vrij. Op het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard zijn beide mogelijk.

Opgetild landschap, vegetatiedaken en begroeide gevels

Op de bedrijven ligt een uitgestrekt daklandschap van circa 60 hectare. Daarnaast ontstaan er grote oppervlaktes aan blinde gevel. In plaats van daken uitsluitend te voorzien van de gebruikelijke bitumen of andere dakbedekkingen kan ook uitgegaan worden van vegetatiedaken, bijvoorbeeld sedum. Behalve de ecologische voordelen wordt daardoor de opwarming van bedrijfsruimtes door de zon sterk afgevlakt. Dit kan sterk reducerend werken in de energiebehoefte voor koeling. Ook liggen er mogelijkheden voor gevelbegroeiing.

Warmte- en koudeopslag in de bodem

In een deel van het plangebied behoort warmte- en koudeopslag in de bodem waarschijnlijk tot de mogelijkheden. Het opslaan en benutten van koude is op uiteenlopende manieren denkbaar en kan bijdragen tot een sterke reductie van de energievraag.

5.1.5 Uitgangspunten verkeer

Verkeersgeneratie

Op basis van verkeerstellingen van een vergelijkbaar bedrijventerrein kan een reële prognose worden gemaakt van de verkeersgeneratie van Nieuw Reijerwaard. De oostelijke bedrijventerreinen van Barendrecht (Gebroken Meeldijk, Dierenstein, etc., gezamenlijk te noemen BT-Oost) en Verenambacht zijn qua aard en ligging sterk vergelijkbaar met het te ontwikkelen bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard. Verkeerstellingen van BT-Oost en Verenambacht vormen een goede basis voor prognoses van de verkeersgeneratie van Nieuw Reijerwaard.

In het najaar van 2011 zijn tellingen verricht op BT-Oost en Verenambacht. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in het rapport 'Verkeerskundige haalbaarheid turboverkeersplein Nieuw Reijerwaard '. In dit rapport wordt tevens ingegaan op de vergelijking met andere mogelijke bronnen om de verkeersgeneratie te bepalen, namelijk het verkeersmodel van de regio (de RVMK) en algemene CROW-kencijfers voor het bepalen van de verkeersgeneratie van bedrijventerreinen.

In tabel 1 is weergegeven wat de verkeersgeneratie is in motorvoertuigen per bebouwde hectare bedrijventerrein. Deze tabel is overgenomen uit genoemd onderzoek naar de verkeerskundige haalbaarheid van een turboverkeersplein. De kentallen in tabel 1 kennen een bepaalde bandbreedte. Vanwege de vergelijkbare kenmerken van BT-Oost en Verenambacht met Nieuw Reijerwaard is het, mede gezien de bandbreedte in de kencijfers van het CROW, aannemelijk dat het (gewogen) gemiddelde van de kentallen voor BT-Oost en Verenambacht samen een juiste afspiegeling vormt van het terrein als geheel.

verplicht

Tabel 1: Kentallen per netto-hectare bedrijventerrein voor de drie bronnen (werkdag)

Uit de vergelijking blijkt dat op etmaalniveau het verschil tussen de bronnen maximaal 15% bedraagt. Gedurende de spitsen is dit verschil ongeveer 10%. Gegeven de onzekerheid in de uitgangspunten en aannames vallen dergelijke verschillen binnen de bandbreedte. De kencijfers liggen ligt bij elkaar.

Op basis van het onderzoek als beschreven in de rapportage 'Verkeerskundige haalbaarheid turboverkeersplein Nieuw Reijerwaard' wordt de verkeersgeneratie van Nieuw Reijerwaard berekend op basis van de verkeersgeneratie van BT-Oost en Verenambacht. Voor de verkeersafwikkeling is de avondspits maatgevend en de verkeerstellingen laten hier een iets hogere verkeersgeneratie zien dan de andere bronnen.

Daarnaast vormt een belangrijk argument dat in de verkeerstellingen-kencijfers specifieke kenmerken zijn meegenomen zoals het type bedrijventerrein (agro-logistiek) en de ligging ervan (regio, relatie met snelweg, omliggende kernen, etc.), in tegenstelling tot de algemene kencijfers van het CROW.

De verkeerstellingen van BT-Oost en Verenambacht vormen de meest realistische en betrouwbare basis voor prognoses van de verkeersgeneratie van Nieuw Reijerwaard. De kencijfers voor de verkeersgeneratie bedragen 31 mvt/netto-ha in de ochtendspits, 34 mvt/netto-ha in de avondspits en 211 mvt/netto-ha per etmaal. Deze kencijfers betreffen de verkeersgeneratie op een gemiddelde werkdag.

Verkeersintensiteiten

De verkeersintensiteiten van de huidige, autonome en toekomstige situatie zijn opgenomen in tabel 2. Het betreft etmaalintensiteiten van een gemiddelde werkdag, voortgekomen uit de RVMK. De RVMK heeft prognosejaar 2020. Om de cijfers voor 2022 te verkrijgen, zijn de cijfers van 2020 opgehoogd met 1% per jaar. Dit is conform opgave van de Stadsregio Rotterdam. De gehanteerde versie van het verkeersmodel is de RVMK 2.6 milieuvariant. Bij de milieuvariant liggen de verkeersintensiteiten in de omgeving van Nieuw Reijerwaard iets hoger dan bij de andere beschikbare variant van de RVMK. De milieuvariant is dus maatgevend voor Nieuw Reijerwaard.

In het RVMK2.6 zijn een tweetal aanpassingen gedaan om het RVMK2.6 beter te laten aansluiten bij de laatste inzichten rond de aanpassingen van de A15. Knooppunt Vaanplein is aangepast zodat verkeer hier vanaf de A29 ook de hoofdrijbaan van de A15 kan bereiken. Daarnaast is de Randweg IJsselmonde ter hoogte van het viaduct van de A15 aangepast aan de huidige vormgeving (2 x 2 rijstroken).

Voor de toekomstige situatie is de RVMK aangepast naar de plannen voor invulling van Nieuw Reijerwaard. Dit betekent een netto-oppervlak van circa 96 hectare met een verkeersgeneratie van 211 mvt/etmaal. Ook is de infrastructuur in het verkeersmodel aangepast, zodat deze aansluit bij het ontwerp.

In de RVMK zit echter alleen extern gericht verkeer: dit is verkeer van/naar Nieuw Reijerwaard met een externe herkomst of bestemming. Intern verkeer is het verkeer met een herkomst en bestemming binnen Nieuw Reijerwaard of verkeer dat rijdt van Nieuw Reijerwaard naar Verenambacht/BT-Oost en vice versa. Dit interne verkeer en is dus niet in de RVMK opgenomen en daarmee ook niet in de verkeersintensiteiten in tabel 2.

Er zijn geen kencijfers of ervaringscijfers beschikbaar over de hoeveelheid bewegingen dat intern verkeer genereert. Indien de hoeveelheid intern verkeer als percentage wordt uitgedrukt van de hoeveelheid extern verkeer, lijkt de aanname van maximaal 10% een worst case/benadering (expert judgement).

verplicht

Tabel 2: verkeersintensiteiten op wegvakken in en om het plangebied in vt/etmaal (werkdag). Bron: RVMK 2.6 milieuvariant, 2022

Uit het verkersmodel blijkt dat de verkeersintensiteit toeneemt op wegen in en om het plangebied. Dit zijn bijvoorbeeld de Verbindingsweg en de Veren Ambachtseweg. Op de Dierensteinweg is een afname te zien. Uit het model blijkt dat er een verschuiving plaatsvindt van verkeer op de Verbindingsweg ter hoogte van het viaduct en Voorweg naar het turboverkeersplein.

Verkeersafwikkeling

De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is bepaald op basis van de RVMK. De verhouding tussen de intensiteit en capaciteit van een wegvak, de I/C-verhouding, vormt een goede indicatie voor de kwaliteit van de verkeersafwikkeling. Als grenswaarde wordt veelal een I/C-waarde van 0,85 gehanteerd. Is de I/C-waarde hoger dan 0,85, zullen er in de spits haperingen in de verkeersafwikkeling zich voordoen. Bij een I/C-waarde van 1,0 is de intensiteit even groot als de capaciteit, wat betekent dat er structureel congestie te verwachten is.

Op een aantal wegvakken neemt de I/C-waarde toe. Op de zuidelijke rondweg van Barendrecht neemt deze toe (Boezemweg, Tuindersweg), maar met een waarde van 0,72 ontstaan er geen problemen in de verkeersafwikkeling.

In het bestuurlijk overleg is afgesproken dat partijen de komende periode onderzoek doen naar de gevolgen die een file bij de invoeger A38 op het netwerk heeft en eventueel maatregelen benoemen die het netwerk beter laten functioneren.

Door de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard wordt de capaciteit van de Verbindingsweg verruimd, tussen het turboverkeersplein en de eerste rotonde op de Verbindingsweg. Het profiel wordt verruimd naar twee rijbanen met elk twee rijstroken (2x2). Een belangrijk aandeel van het verkeer met een bestemming in Nieuw Reijerwaard verlaat bij de eerste rotonde de Verbindingsweg en rijdt het bedrijventerrein op. Ten oosten van de eerste rotonde is de huidige capaciteit van de Verbindingsweg net voldoende om het verkeer te verwerken (0,82%). Bij vergelijking van de autonome situatie met de planstudie blijken in de kern van Ridderkerk, Barendrecht en omgeving kleine verschuivingen in I/C-waarden. De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard geeft geen merkbare gevolgen op het Ridderkerkse en Barendrechtse wegennet. Uit het model blijkt dat er bovendien geen problemen ontstaan in de verkeersafwikkeling in Ridderkerk en Barendrecht als gevolg van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard.

De doorstroming van het verkeer op het turboverkeersplein is onderzocht en aangetoond. In de autonome situatie in 2022 treden problemen in de verkeersafwikkeling op, waardoor het verkeer van en naar Nieuw Reijerwaard de situatie zou verergeren. De oplossing voor deze doorstromingsproblematiek kan gevonden worden in de realisatie van een turboverkeersplein met vijf armen. Uit computersimulaties is gebleken dat het turboverkeersplein het autonome verkeer, inclusief het extra verkeer als gevolg van Nieuw Reijerwaard, goed afgewikkeld. Een turboverkeersplein heeft een grotere capaciteit dan de huidige infrastructuur.

Uit de studies is gebleken dat het turboverkeersplein ook functioneert als de toerit en of de afritten naar en van de A15 niet worden verdubbeld. Er blijven dan wel, door het niet verdubbelen van de toerit, aandachtspunten op het onderliggend wegennet. Zo worden wachtrijen verwacht op bijvoorbeeld de IJsselmondse Randweg. Deze zijn als gevolg van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard langer dan in de autonome situatie. De doorstroming op het onderliggend weggennet is een bestaand regionaal knelpunt en de oplossingen en effecten gaan het niveau van Nieuw Reijerwaard te boven.

De dubbele invoeger op de A15 is een kansrijke maatregel om de verkeerssituatie op het traject A15 invoeging IJsselmonde tot de Ridderster te verbeteren. De maatregel verkleint de kans op file op het genoemde traject en draagt bij aan de afwikkeling van het verkeer op de toerit en daarmee aan de vermindering van de verstoringen op het onderliggend wegennet.

5.2 Stedenbouwkundig plan

5.2.1 Zoekrichtingen

Voorafgaand aan het opstellen van het inpassingsplan is een stedenbouwkundig plan voor Nieuw Reijerwaard opgesteld. Op basis van dat plan is de stedenbouwkundige structuur van het ontwerp inpassingsplan Nieuw Reijerwaard bepaald. De relatief beperkte wijzigingen tussen het ontwerp inpassingsplan en dit inpassingsplan geven geen aanleiding om het stedenbouwkundig plan te herzien. Aan het stedenbouwkundig plan als zodanig kunnen geen rechten ontleend worden.

Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan zijn verschillende mogelijkheden onderzocht. De bestaande landschapsstructuur bleek zich goed te lenen voor de gewenste transformatie van glastuinbouw naar efficiënte agro-logistieke bedrijfskavels. Belangrijk punt van onderzoek was de toekomstige functie van de huidige hoofdontsluitingswegen in het gebied: de Voorweg en de Verbindingsweg. Een model met de Voorweg als belangrijkste stedenbouwkundige drager zou als voordeel opleveren dat doelmatige, rechthoekige bedrijfskavels ontstaan. Daartegenover staan nadelen als gevolg van het gedeeltelijk vervallen van de huidige Verbindingsweg. Uiteindelijk is gekozen voor een model waarin zowel de Verbindingsweg als de Voorweg de ruimtelijke dragers van het plan vormen. Hergebruik van deze bestaande elementen is het meest optimaal uit oogpunt van ruimtelijke en functionele kwaliteit, planeconomie en faseerbaarheid.

5.2.2 Stedenbouwkundige hoofdopzet

Onderstaand is op basis van de belangrijkste ruimtelijke elementen het plan voor Nieuw Reijerwaard beschreven. De nummers in de tekst verwijzen naar de nummers in figuren 18 en 20.

Hergebruik bestaande elementen

Kenmerkend voor de gekozen stedenbouwkundige opzet is het zo veel mogelijk hergebruiken van bestaande elementen en structuren. De bestaande Verbindingsweg en Voorweg vormen in de nieuwe opzet opnieuw de ruimtelijke dragers van het gebied. De toekomstige bedrijfskavels volgen het oorspronkelijke landschapspatroon. Ze worden ontsloten vanuit drie bedrijfslanen die eveneens de richting van de historische verkavelingsstructuur oppakken en continueren naar de toekomst. De Rijksstraatweg blijft een woonlint. De belevingswaarde en de recreatieve kwaliteit ervan worden versterkt door aanleg van een brede zone met groen en water.

verplicht

Figuur 18: stedenbouwkundig ontwerp Nieuw Reijerwaard (gebiedsdelen 1 t/m 5)

Hoofdontsluiting (1,2)

De eerste belangrijkste ontsluiting van het gebied verloopt via de bestaande Verbindingsweg (1). Via een ellipsvormige megarotonde - ofwel 'Turboverkeersplein'- sluit deze aan op het Rijkswegennet. Het turboverkeersplein vervangt in de toekomst het huidige stelsel van kruisingen, ook wel bekend als de 'IJsselmondse knoop'.

Een tweede hoofdontsluiting vormt de bestaande Voorweg (2). Deze wordt verbonden met de Veren Ambachtseweg en de Spoorlaan. Op die wijze worden de bestaande bedrijfsterreinen gekoppeld aan het nieuwe. Ter plekke van de Rijksstraatweg komt een ongelijkvloerse kruising. De functie van de Rijksstraatweg als compartimenteringsdijk blijft behouden door middel van een waterkerende voorziening. Langs de Voorweg komt een vrijliggend fietspad. Vanuit Ridderkerk ontstaat op die manier een rechtstreekse fietsverbinding met onder meer de scholen en het station.

Blauwe wig / Verbindingsweg (3)

De Verbindingsweg vormt in de toekomst als beeldbepalende 'blauwe drager' het visitekaartje van Nieuw Reijerwaard. De wigvormige waterpartij verzorgt het grootste deel van de benodigde waterberging. Drie rotondes leggen de verbinding met de bedrijfslanen. De fietspaden aan weerszijden blijven gehandhaafd. Op enkele markante plekken is beeldbepalende bebouwing in het water toestaan (referentiebeeld waterschapsgebouw). Daarnaast biedt de Blauwe wig ruimte voor opwekking van duurzame energie. Er is plaats voor windturbines gekoppeld aan de landschappelijke lijn van de Verbindingsweg.

Groene zone / Rijksstraatweg (4)

Het dijklint van de Rijksstraatweg vormt het hart van een brede groenblauwe zone die aansluit op het recreatiegebied rond De Waal. Aan de zijde van Nieuw Reijerwaard is een begroeid dijklichaam geprojecteerd van circa 7 meter hoogte als afscherming van en overgang naar het bedrijventerrein. De achterliggende bedrijven kunnen hier met vegetatiedaken op aansluiten. De definitieve landschappelijke inrichting van de Groene zone kan in een later stadium worden bepaald. Gezien de nevenfunctie als waterberging kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een eilandenrijk met ecologische, natuurvriendelijke oevers.

De Rijksstraatweg is niet bedoeld voor doorgaand (vracht) verkeer. Om die reden wordt de Rijksstraatweg ondergeschikt aangesloten op de Voorweg. De verbinding blijft toegankelijk voor bewoners en bedrijven aan de Rijksstraatweg en in Rijsoord, voor fietsers en voor calamiteitenverkeer. De functie als recreatieve verbinding / fietsroute blijf gehandhaafd.

verplicht

Figuur 19: principe groene zone

Bedrijfslanen (5)

Er zijn drie langgerekte lanen geprojecteerd ter ontsluiting van alle bedrijfskavels. De lanen volgen de richting van het landschapspatroon, waarbij rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige gastransportleidingen. De lanen hebben een profiel van 7 meter wegverharding met aan weerszijden 8 meter groenstrook (tevens leidingzone) met laanbeplanting. Rotondes zorgen voor de aansluiting op en het kruisen van de Verbindingsweg.

Parallel aan de openbare bedrijfslanen zijn ook op uitgeefbaar gebied aan de achterzijde van de bedrijfskavels zones voorzien, die vrijgehouden worden van bebouwing. Dit biedt de mogelijkheid voor een (eventueel collectieve) ontsluiting aan de achterzijde op eigen terrein. De flexibiliteit en gebruiksmogelijkheden nemen daardoor toe.

verplicht

Figuur 20: stedenbouwkundig ontwerp Nieuw Reijerwaard (gebiedsdelen 6 t/m 10)

Bedrijfskavels (6)

Het plan voorziet in maximaal 96 hectare uitgeefbaar bedrijfsterrein. Alle kavels worden ontsloten vanuit de drie bedrijfslanen. Naar verwachting worden overwegend kavels tussen twee en vijf hectare gerealiseerd. Op de meeste plekken bedraagt de kaveldiepte circa 150 meter. De ervaring leert dat dit voor het merendeel van de beoogde bedrijven een optimaal bruikbare kavel oplevert. Er is evenwel ook voorzien in andere kaveldieptes, in bandbreedte variërend van circa 60 tot 240 meter.

De kavels bestaan uit een erfzone en een gedeelte waar bebouwing is toestaan. De erfzone aan de laanzijde is aangebracht ter structurering van de manoeuvreerruimte voor vrachtwagens, laad- en los perrons, parkeren en dergelijke. In deze zone is binnen bepaalde spelregels wel een overbouwing ten behoeve van kantoren en andere representatieve ruimtes toegestaan. Daarbij moet de doorrijhoogte minimaal 5,5 meter bedragen zodat de manoeuvreerruimte behouden blijft.

De toegestane bouwhoogte is overwegend maximaal 30 meter met uitzondering van de zones langs de hoofdontsluiting en langs de Rijksstraatweg. Deze bouwhoogte stimuleert een efficiënt en meervoudig grondgebruik.

Parkeervoorziening vrachtwagens (7)

In het plan is ruimte gereserveerd voor een centrale parkeervoorziening voor vrachtauto's en hun chauffeurs. De exacte locatie van deze voorziening staat niet vast, maar het gebied tot halverwege de eerste en tweede bedrijfslaan (gezien vanaf de Rijksstraatweg) is hiervan uitgesloten. Ook is de voorziening uitgesloten binnen 50 meter van de bedrijfswoningen aan de Hoogzandweg. Op de voorziening word een motorbrandstoffenverkooppunt, zonder LPG, mogelijk gemaakt.

Het parkeerterrein met bijbehorende verblijfsfaciliteiten vormt tevens een wachtplaats tot het moment dat de vrachtauto's kunnen oprijden naar de laad- of losdocks van hun bestemming. Daarmee wordt verkeerscongestie tegengegaan.

Omgeving hotel (8)

De huidige aansluiting van het bestaande hotel / conferentiecentrum op de Verbindingsweg komt te vervallen. Dit om het aantal aansluitingen te beperken, een betere doorstroming te waarborgen en voldoende afstand tot het turboverkeersplein te genereren. Het hotel / conferentiecentrum wordt in de nieuwe situatie ontsloten via de eerste rotonde. Het is denkbaar dat de aan de locatie grenzende bedrijfskavels in de toekomst deel gaan uitmaken van het hotel / conferentiecentrum. In dat geval moet voor de betreffende percelen een wijziging naar een horecabestemming mogelijk worden gemaakt.

Krommeweg (9)

De bestaande Krommeweg blijft grotendeels in de huidige vorm gehandhaafd en wordt hergebruikt als fietspad. De weg wordt aan beide zijden geflankeerd door bestaande en nieuwe waterlopen en geeft aansluiting op de al aanwezige fietsroutes. Aan de noordzijde langs Van der Valk komt een nieuwe fietsverbinding die de Krommeweg verbindt met de fietsroute richting Rotterdam IJsselmonde.

Hoogzandweg (10)

De aansluiting Hoogzandweg - Verbindingsweg blijft bestaan ter ontsluiting van het glastuinbouwgebied aan de overzijde van de Blaakwetering. Tevens vormt de weg een fietsroute.

5.2.3 Structuur- en beeldbepalende elementen

Deze paragraaf beschrijft de belangrijkste structuur- en beeldbepalende elementen binnen het plangebied.

Blauwe wig / Verbindingsweg

De Blauwe wig vormt de belangrijkste entree van Nieuw Reijerwaard. Het brede profiel met de schegvormige waterpartij en met enkele markante gebouwen geven de entree allure. De wig vormt een belangrijke schakel in het totale watersysteem. De aanwezige laanbeplanting, bestaande uit drie rijen essen, blijft in de nieuwe opzet zo veel mogelijk gehandhaafd. Ter plekke van de rotondes is evenwel een reconstructie van de weg noodzakelijk. Ook de fietspaden aan de buitenzijdes van het wegprofiel behouden hun functie.

Aan de zuidzijde van het water, voor de bedrijven langs, is een rij hoog groeiende bomen geprojecteerd, bijvoorbeeld populieren, als afscherming van de bedrijfsbebouwing. De Blauwe wig biedt voorts de mogelijkheid voor de opstelling van windturbines.

De grens van het bouwvlak ligt op 5 meter uit de kavelgrens. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter in de rooilijn. Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

Groene zone / Rijksstraatweg

De Rijksstraatweg vormt als dijk- en woonlint het centrum van een brede landschappelijke ruimte die aansluit op het recreatiegebied rond De Waal. Conform de visie Deltapoort vormt het gebied een belangrijke schakel in het netwerk van recreatieve verbindingen en fietsroutes. De historische boerderij Bouwlust - een rijksmonument - krijgt in deze Groene zone een prominente plek.

Tussen het bedrijfsterrein en de achterzijde van de woningen langs de Rijksstraatweg wordt een honderd meter brede landschappelijk zone met groen en water aangelegd. Het bedrijventerrein wordt daarnaast nog extra afgeschermd door een circa 7 meter hoog, begroeid grondtalud. Dit 'geplooide maaiveld' wordt gevormd met vrijkomende grond uit de benodigde waterpartijen volgens het principe: 'wie een kuil graaft, krijgt een bult'. De achterliggende bedrijven kunnen met vegetatiedaken op dit grondlichaam aansluiten.

De hoogte van de bedrijven bedraagt maximaal 10 meter aan de zijde van de Rijksstraatweg. Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 2:5 oplopen tot maximaal 20 meter.

De landschappelijke inrichting van de Groene zone kan in een later stadium worden bepaald. Gezien de nevenfunctie als waterberging en gezien de ringstructuur van het toekomstige stelsel van waterlopen (Blauwe wig, Blaakwetering) kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een eilandenrijk met natuurvriendelijke oevers en een kano-route.

De Rijksstraatweg is geen onderdeel van de ontsluiting van het terrein voor niet - bestemmingsverkeer en vrachtverkeer. Aan de zijde van het waterschapgebouw is een verdiept liggend fietspad voorzien dat aansluit op alle bestaande fietsroutes.

Ten behoeve van de tweede ontsluiting (Voorweg - rotonde Veren Ambachtseweg - Spoorlaan) wordt onder de Rijksstraatweg door een ongelijkvloerse kruising gemaakt. Het profiel Rijksstraatweg blijft daarbij zoveel mogelijk behouden. Er komen voorzieningen (bijvoorbeeld schuifdeuren of schotbalken) om de functie als compartimenteringsdijk te waarborgen.

Voorweg

De huidige Voorweg wordt in het plan verbonden met de Veren Ambachtseweg en de Spoorlaan. Op die manier worden de bedrijfsterreinen Barendrecht - Oost en Veren Ambacht intern gekoppeld aan Nieuw Reijerwaard. Door het vrij liggende fietspad naast de Voorweg ontstaat een veilige en rechtstreekse fietsverbinding vanuit Ridderkerk met onder meer de scholen en het station. Ter plekke van de Rijksstraatweg komt een ongelijkvloerse kruising.

De grens van het bouwvlak ligt op 5 meter uit de kavelgrens. De hoogte van de bedrijven langs de Voorweg bedraagt maximaal 15 meter in de rooilijn. Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

Bedrijfslanen

Drie lange lanen zorgen voor de ontsluiting van alle bedrijfskavels. De lanen volgen de richting van het landschapspatroon. Het profiel bestaat uit 7 meter wegverharding met aan weerszijden 8 meter groenstrook (tevens leidingzone) met daarin laanbomen. Op de overgang van het openbaar gebied naar de bedrijfskavels staat een begroeid hekwerk.

De 1e bedrijfslaan is zo gesitueerd dat de bestaande hoge druk gasleiding grotendeels in de leidingzone valt. Daardoor zijn de bedrijfskavels hier minder diep. De 2e en 3e bedrijfslaan zijn zo geprojecteerd dat bedrijfskavels met een optimale diepte van circa 150 meter worden gevormd.

Binnen de bedrijfskavels wordt langs de lanen een zone van 35 meter vrijgehouden van bedrijfsbebouwing. Daardoor ontstaat een erf-zone ter structurering van manoeuvreerruimte voor vrachtwagens, laad- en los perrons, parkeren en dergelijke. De intentie is tevens om hiermee te bevorderen dat qua ruimtebeslag efficiënte, zoveel mogelijk, aaneengesloten bedrijfspanden ontstaan, zonder onnodige dwarswegen. Binnen deze zone is binnen bepaalde spelregels wel een overbouwing ten behoeve van kantoren en dergelijke toegestaan, met een zodanige doorrijhoogte (minimaal 5,5 meter) dat de logistieke mogelijkheden zo min mogelijk worden beperkt.

De hoogte van de bedrijven bedraagt langs de lanen maximaal 30 meter.

Rand langs A15 (Krommeweg)

Het bedrijventerrein heeft hier gezien vanaf de snelweg een coulissen-achtige structuur. De bestaande Krommeweg blijft gehandhaafd maar krijgt in de toekomst volledig een functie als fietspad. De Krommeweg wordt aan weerszijden geflankeerd door een waterpartij. Aan de bedrijfszijde gaat het om een nieuwe watergang die - om voldoende capaciteit te hebben - circa 10 meter breed moet zijn. Het beoogde informele karakter van de Krommeweg wordt versterkt door de aanplant van bijvoorbeeld knotwilgen.

De grens van het bouwvlak ligt op 7,5 meter uit de kavelgrens. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter (grens bebouwingsvlak). Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

Rand langs A16 (Krommeweg)

Het profiel van de bestaande Krommeweg wordt gecontinueerd langs de A16. De brede waterpartij aan de snelwegzijde maakt plaats voor een smallere watergang en bestaande bosgroepen. Aan de bedrijfskant van de Krommeweg wordt ook hier een nieuwe watergang van circa 10 meter breedte aangelegd. Het fietspad / de Krommeweg sluit bij het bosperceel aan op het viaduct over de A16 richting Ridderkerk.

De grens van het bouwvlak ligt op 7,5 meter uit de kavelgrens. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter (grens bebouwingsvlak). Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

Rand langs de Blaakwetering

De Blaakwetering vormt de overgang tussen het nieuwe bedrijfsterrein en het buitengebied, dat is aangewezen voor concentratie van glastuinbouw. De watergang vormt een belangrijke schakel in het watersysteem maar blijft zelf in principe ongewijzigd. Aan de noordzijde van de Blaakwetering komt een nieuwe weg die de bedijfslanen onderling met elkaar verbindt.

Het is denkbaar dat -in aansluiting op de glastuinbouw aan de overzijde van het water- op de logistieke bedrijven kassen worden gerealiseerd. Ook in de regelgeving van het inpassingsplan wordt dit mogelijk gemaakt.

De grens van het bouwvlak ligt op 5 meter uit de kavelgrens. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter (grens bebouwingsvlak). Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

5.2.4 Bouwhoogtes en verkavelingsprincipes

De maximaal toegestane bouwhoogte bedraagt overwegend 30 meter. Bij de Rijksstraatweg, langs de hoofdontsluitingen en langs de randen zijn de toegestane bouwhoogte over een beperkt gebied lager. De hoogte van 30 meter maakt meervoudig grondgebruik mogelijk en aantrekkelijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van liften en hellingbanen voor het verticale transport. Met de huidige logistieke techniek zijn verdiepinghoogtes tot 10 meter haalbaar en commercieel aantrekkelijk.

Ook op andere wijze worden compacte bouw en efficiënt ruimtegebruik bevorderd. In woningbouwtermen gesproken: hier geen vrijstaande bungalows maar zo veel mogelijk aaneengeschakelde bebouwing in meerdere lagen. De stedenbouwkundige opzet - met uitgeefbaar gebied in langgerekte stroken - maakt het mogelijk dat grotendeels aaneengesloten bedrijfsbebouwing wordt gerealiseerd. De stroken laten zich naar behoefte indelen in langere of kortere kavels.

Langs de lanen is een zone van 35 meter vrijgehouden van bedrijfsbebouwing. Daardoor ontstaat een erf-zone ter structurering van manoeuvreerruimte voor vrachtwagens, laad- en los perrons, parkeren en dergelijke. Binnen deze zone is binnen bepaalde spelregels alleen 'opgetilde' bebouwing ten behoeve van kantoren en dergelijke toegestaan, waar vrachtwagens onder door kunnen rijden. Parallel aan de openbare bedrijfslanen zijn ook aan de achterzijde van de kavels op eigen terrein 7,5 meter diepe zones voorzien die vrijgehouden worden van bebouwing. In die zones kan een (eventueel collectieve) ontsluiting aan de achterzijde worden gerealiseerd. De flexibiliteit en gebruiksmogelijkheden (bijvoorbeeld extra laad- en losdocks) nemen daardoor toe. Dwarsstraten zijn bij deze opzet niet of slechts in beperkte mate nodig.

5.2.5 Beeldkwaliteit

De aantrekkelijkheid en wervingskracht van Nieuw Reijerwaard wordt in hoge mate bepaald door de beeldkwaliteit en uitstraling van gebouwen en openbare ruimtes. De belangrijkste aandachtsgebieden in dit verband zijn de stedenbouwkundige hoofdruimtes en de randzones. Om de gewenste beeldkwaliteit, samenhang en allure te bereiken zijn nadere spelregels noodzakelijk. Deze worden in een later stadium opgesteld.

In het kader van het inpassingsplan zijn vooral de buitenranden van belang. Het gaat dan om de zones langs de Rijkstraatweg, langs de A15 en A16 en langs de Blaakwetering. Op de beeldkwaliteit van deze randen wordt hieronder kort ingegaan.

Randzone Rijksstraatweg

De nadruk ligt hier op een landschappelijke uitstraling. Tussen het bedrijfsterrein en het woonlint Rijksstraatweg wordt een landschappelijk zone met groen en water aangelegd. Samen met het bestaande groen en het water aan de westzijde van het dijklint ontstaat een 'Groene zone'.

verplicht

Figuur 21: dwarsprofiel Rijksstraatweg

Een tenminste 7 meter hoog grondlichaam met een flauw talud richting Rijksstraatweg en een steiler talud richting bedrijfsterrein vormt de landschappelijke overgang naar het bedrijventerrein. De achterliggende bedrijven kunnen met vegetatiedaken op dit grondlichaam aansluiten. De boerderij 'Bouwlust' - een rijksmonument - krijgt in deze groene zone een prominente plek.

De hoogte van de bedrijven bedraagt maximaal 10 meter aan de zijde van de Rijksstraatweg. Van daaruit kan de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 2:5 oplopen tot maximaal 20 meter.

De landschappelijke inrichting van de Groene zone wordt in een later stadium nader bepaald en uitgewerkt.

Randzone langs de A15

Gezien vanaf de A15, die hier plaatselijk op 15 meter hoogte ligt, heeft het bedrijventerrein een coulissen-achtige structuur met bebouwingsstroken afgewisseld door de open zones met de bedrijfslanen en hun bomenrijen.

verplicht

Figuur 22: dwarsprofiel Krommeweg aan de A15

De wegen met hun bermen, de waterpartijen aan weerszijden van de Krommeweg en een onbebouwde zone op uitgeefbaar gebied zorgen voor de benodigde afstand. Meer oostelijk onttrekt dichte beplanting tegen het talud van de A15 het zicht op het bedrijventerrein.

De zijde van de A15 heeft een representatief karakter. Representatieve elementen zoals kantoren zijn hier mogelijk en gewenst. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter (grens bebouwingsvlak). Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

Enige samenhang en uniformiteit in kleurpalet en materiaalgebruik van de bebouwing is wenselijk. Daarbij mogen de kantoorgedeeltes in kleur- en materiaalgebruik contrasteren met de bedrijfsloodsen. Het toepassen van begroeide gevels of van bomen die hoge, blinde gevels afschermen wordt gestimuleerd. Een en ander wordt in later stadium uitgewerkt.

Randzone langs de A16

Langs de A16 wordt zicht op het bedrijventerrein grotendeels weggenomen door de aanwezige beplantingen. Daarom worden hier minder hoge eisen gesteld aan een representatieve uitstraling. Een bedrijfsontluitingsweg met bijbehorende docks is hier toegestaan. Wel dient de beeldkwaliteit vanaf de Krommeweg, een belangrijke fietsroute, de nodige aandacht te krijgen.

verplicht

Figuur 23: dwarsprofiel Krommeweg aan de A16

De grens van het bouwvlak ligt op 7,5 meter uit de kavelgrens. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter (grens bebouwingsvlak). Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter.

Randzone langs de Blaakwetering

De Blaakwetering vormt de overgang tussen het nieuwe bedrijfsterrein en het agrarische gebied. Voor een deel zijn hier glastuinbouwbedrijven aanwezig. Deze worden ontsloten vanaf de Hoogzandweg, tevens een in belang toenemende recreatieve fietsverbinding.

Aan de zijde van de Blaakwetering is een representatieve uitstraling gewenst. De beoogde landschappelijke inrichting rond de Blaakwetering draagt hier toe bij. De bebouwinghoogte bedraagt maximaal 20 meter (grens bebouwingsvlak). Van daaruit mag de hoogte onder een denkbeeldige hoek van 1:3 oplopen tot maximaal 30 meter. Representatieve elementen zoals kantoren zijn hier mogelijk. Samenhang en eenheid in kleurpalet en materiaalgebruik is wenselijk. Het toepassen van begroeide gevels of van bomen die hoge, blinde gevels afschermen wordt gestimuleerd.

verplicht

Figuur 24: dwarsprofiel zuidelijk deel plangebied bij de Blaakwetering

Provinciaal landschap

Ten zuidoosten van het plangebied ligt het provinciale landschap IJsselmonde. Conform de provinciale structuurvisie van Zuid-Holland ligt het accent daar op integrale bescherming, alsmede de recreatieve bereikbaarheid. Er is vanwege Nieuw Reijerwaard geen fysiek ruimtebeslag binnen dit landschap of de bijbehorende bufferzone. Het provinciaal landschap blijft gevrijwaard van verstedelijking. Recreatieve routes vanuit de stedelijke omgeving naar dit landschap veranderen niet. De groene zone kan bovendien bijdragen aan de beleving van een route tussen de stad en het provinciaal landschap. In het kader van het milieueffectrapport is Nieuw Reijerwaard vanuit het provinciale landschap gevisualiseerd. Vanwege de bestaande bebouwing tussen dit landschap en Nieuw Reijerwaard is ten hoogste zicht op enkele hogere gebouwen en de windturbines. Dit beeld is niet verstorend ten opzichte van de omliggende stedelijke omgeving van de stadsregio, waardoor de visuele kwaliteit van dit landschap niet bijzonder verandert.

5.2.6 Verkeersstructuur

Autoverkeer

De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard brengt een aantal wijzigingen met zich mee in de ontsluitingsstructuur:

  1. De realisatie van een turboverkeersplein ter plaatste van de IJsselmondse Knoop;
  2. Een nieuwe ontsluitingsweg vanuit Nieuw Reijerwaard in westelijke richting: aansluiting op BT-Oost en Verenambacht;
  3. Ontsluiting woningen aan de Rijksstraatweg;
  4. Interne ontsluiting binnen Nieuw Reijerwaard: de Voorweg en bedrijfslanen.

Ad 1. IJsselmondse Knoop

Het bedrijventerrein wordt in verschillende richtingen ontsloten. De belangrijkste ontsluitingsweg is de huidige Verbindingsweg. De Verbindingsweg ligt momenteel buiten de bebouwde kom, maar komt door de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard binnen de bebouwde kom te liggen.

De Verbindingsweg is een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur. In oostelijke richting kruist de Verbindingsweg de A16 en sluit vervolgens aan op de Populierenlaan in Ridderkerk. In westelijke richting geeft de Verbindingsweg toegang tot de IJsselmondse Knoop en afslag 20 van de A15. Deze route vormt de belangrijkste toegangsweg tot Nieuw Reijerwaard voor extern gericht verkeer.

Ter plaatse van de IJsselmondse Knoop wordt een turboverkeersplein gerealiseerd. Dit plein heeft vijf armen: Verbindingsweg, IJsselmondse Randweg, toe-/afrit A15, Dierensteinweg en Verenambachtseweg. Daarnaast kan de Greenery worden aangesloten. Door middel van verkeersregelinstallaties wordt verkeer 'toegelaten' op het plein en wordt het over het plein geleid. Het verkeer hoeft alleen de vooraf gekozen strook te blijven volgen en eventueel te stoppen bij verkeerslichten. Door dit principe is sturing van verkeer vooraf belangrijk. In het ontwerp van het turboverkeersplein en de vijf armen wordt rekening gehouden met voldoende ruimte voor voorsorteren.

Bij de uitwerking en detaillering van het verkeersplein worden de opgedane ervaringen en de gehouden onderzoeken (o.a. TNO* en dhr. Fortuijn**) betrokken. Gezien het feit dat nergens in Nederland een dergelijk turboverkeersplein met vijf armen ligt is de noodzaak voor een zorgvuldige uitwerking groot.

* Horst, dr.ir. A.R.A. van der, C.L. Groenewoud M.Sc., dr. M.H. Martens, ing. E.C.J Franx (Royal Haskoning). Evaluatie geregelde Turbopleinen Concept rapport, uitgebracht in opdracht van Provincie Zuid-Holland, Dienst Infrastructuur, Afdeling Beheerstrategie, TNOrapport TNO-DV 2008 C006, Soesterberg.

** Ir. L.G.H. Fortuijn, Provincie Zuid-Holland, Verbeterde bebording en markering turboplein, bijdrage 5150803 aan de Verkeerskundige Werkdag 18 juni 2009

In figuur 25 is een afbeelding weergegeven van een préschetsontwerp van het turboverkeersplein en een referentiefoto van een rond, vierarmig turboverkeersplein op het kruispunt van de N209/N471.

verplicht

Figuur 25: Indicatie turboverkeersplein en referentiebeeld turboverkeersplein N209/N471.

Ad 2. Ontsluiting in westelijke richting: aansluiting op BT-Oost en Verenambacht

Naast de Verbindingsweg wordt Nieuw Reijerwaard in westelijke richting aangesloten op de rondweg van Barendrecht. Deze nieuw aan te leggen ontsluitingsweg kruist de Rijksstraatweg ongelijkvloers. Deze ontsluitingsweg is geprojecteerd in het verlengde van de nog te realiseren Spoorlaan. Op het kruispunt Veren Ambachtseweg/Spoorlaan wordt een rotonde aangelegd waar de nieuwe ontsluitingsweg de vierde arm van vormt.

De nieuwe ontsluitingsweg wordt gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/uur.

Ad 3. Ontsluiting in zuidelijke richting via de Rijksstraatweg.

In de huidige situatie is er vanaf de Rijksstraatweg een verbinding met de Voorweg die toegang geeft tot de Verbindingsweg. Daarnaast kan autoverkeer de Rijksstraatweg in zuidelijke richting afrijden. De route via de Rijksstraatweg wordt gebruikt als sluiproute. In de afgelopen jaren zijn maatregelen getroffen om sluipverkeer op deze route te ontmoedigen. Door de aanleg van nieuwe infrastructuur in het kader van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard, kan het gebruik van de route via de Rijksstraatweg aantrekkelijker worden. Dat is een ongewenste ontwikkeling. Om sluipverkeer te voorkomen wordt dan ook de Rijksstraatweg ondergeschikt aangesloten op de Voorweg, waarmee dit voor verkeer van en naar het bedrijventerrein geen logische verbinding vormt. De verbinding voor bewoners en bedrijven aan de Rijksstraatweg en in Rijsoord, lijndiensten en calamiteitenvoertuigen blijft bestaan.

Ad 4. Ontsluiting binnen Nieuw Reijerwaard

Vanaf de Verbindingsweg, de primaire ontsluiting van Nieuw Reijerwaard, kan verkeer drie bedrijfslanen oprijden. Deze drie bedrijfslanen liggen parallel aan elkaar. Ze sluiten aan op de Verbindingsweg door middel van een ruim geprojecteerde rotonde, zodat vrachtwagens de draai goed kunnen maken.

verplicht

Figuur 26: auto-ontsluiting Nieuw Reijerwaard

Op de bedrijfslanen liggen de in- en uitritten van percelen. Vanwege de bebouwingsvrije zone direct langs de bedrijfslanen is er voldoende vrije ruimte voor vrachtverkeer om te laden/lossen, keren en parkeren op eigen terrein. Doordat deze handelingen op eigen terrein plaatsvinden, ondervindt het verkeer op de bedrijfslanen hier geen hinder van.

De bedrijfslanen worden op twee plaatsen met elkaar verbonden: via de Verbindingsweg en de Voorweg. Omdat de huidige Voorweg te smal is voor het toekomstige verkeer, wordt de rijbaan verbreed. Deze twee wegen die de bedrijfslanen met elkaar verbinden, hebben geen inritten en dus ook geen bebouwingsvrije zone direct langs de weg op de percelen. Deze wegen worden aangelegd om de bedrijven binnen het plangebied via een directe route met elkaar te verbinden. Ook voor de Verbindingsweg geldt dat hier geen in-/uitritten worden aangelegd.

Langzaam verkeer

Nieuw Reijerwaard is goed bereikbaar voor fietsers. Er liggen verschillende fietsroutes in (de omgeving van) het plangebied. Vanuit de stadsregio zijn regionale routes aangewezen die de kernen - waaronder Ridderkerk en Barendrecht - met de regio verbinden. Er ligt een regionale route op de Verbindingsweg, Rijksstraatweg en de Krommeweg. Ook het fietspad dat in het verlengde van de Krommeweg is aangelegd en de snelweg volgt, is aangeduid als een regionale route, alsmede de fietsroute in noordelijke richting, onder de Ridderster door. De kwaliteit van deze routes blijft behouden of wordt zelfs verbeterd, zoals op de Rijksstraatweg.

De verkeersintensiteit van de Rijksstraatweg verandert niet noemenswaardig, waardoor de fietsveiligheid op deze route gelijk blijft. Het nieuw aan te leggen turboverkeersplein, op het kruispunt van de Verbindingsweg, Veren Ambachtseweg, Dierensteinweg, toe-/afrit A15 en de IJsselmondse Randweg, wordt voorzien van ongelijkvloerse kruisingen voor het langzaam verkeer. Fietsers kruisen in de toekomst dus ongelijkvloers dit knooppunt van wegen. Dit is eveneens een kwaliteitsverbetering in het fietsroutenetwerk: zowel de verkeersveiligheid als de doorstroming van het fietsverkeer verbeteren.

In figuur 27 is een uitsnede opgenomen van de kaart met regionale fietsroutes in rood en recreatieve fietsroutes in groen.

verplicht

Figuur 27: Uitsnede fietsroutekaart (bron: Verkeersplan Ridderkerk, Module Langzaam Verkeer, 2009-2015, Mobycon, maart 2009).

De Verbindingsweg is tussen de Voorweg en de A15/A16 zowel aan de noord- als zuidzijde voorzien van een vrijliggend fietspad. Ook de Dierensteinweg, de Spoorlaan en de westelijke ontsluitingsweg van Nieuw Reijerwaard in het verlengde van de Spoorlaan (hierna te noemen: Verlengde Spoorlaan) voorzien in vrijliggende fietspaden. Dit is conform de richtlijnen van Duurzaam Veilig. De Spoorlaan krijgt een vrijliggend, in twee richtingen bereden fietspad aan de zuidzijde van de weg met daarnaast een voetpad. Het profiel van de Verlengde Spoorlaan sluit hierop aan.

Deze vrijliggende fietsverbinding vanaf het station Barendrecht wordt via de Voorweg doorgetrokken en sluit aan op het fietspad aan de zuidzijde van de Verbindingsweg. Ook het voetpad wordt doorgetrokken. Via het netwerk van vrijliggende fietspaden is Nieuw Reijerwaard verbonden met de geprojecteerde snelfietsroute Rotterdam-Dordrecht (F16). De aanleg van deze snelfietsroute is in 2011 gestart met deelprojecten. De snelfietsroute ligt parallel aan de spoorlijn, even ten westen van het plangebied. De ligging is weergegeven in figuur 28.

verplicht

Figuur 28: Uitsnede ligging snelfietsroute Rotterdam - Dordrecht (F16) (bron: Google Maps)

In het plan is daarnaast achter de horecavoorziening een directe fietsverbinding tussen de Krommeweg en het verkeersplein voorzien.

Op de bedrijfslanen en de wegen die de bedrijfslanen met elkaar verbinden, wordt het fietsverkeer gemengd met het autoverkeer afgewikkeld. Een uitzondering hierop vormt, zoals genoemd, de Voorweg als onderdeel van een regionale fietsroute wordt voorzien van een vrijliggend fietspad. Op de interne wegen van het bedrijventerrein worden voor voetgangers paden voorzien in de berm.

Openbaar vervoer

In (de omgeving van) het plangebied liggen diverse voorzieningen voor het openbaar vervoer. Ten westen van het plangebied ligt het treinstation Barendrecht. Vanaf de Rijksstraatweg is de afstand tot het treinstation hemelsbreed circa 1 km, vanaf de meest oostelijk geprojecteerde rotonde Verbindingsweg/bedrijfslaan bedraagt deze afstand circa 1,9 km. Vanaf het station rijden treinen in noordelijke richting naar Rotterdam en in zuidelijke richting naar Dordrecht.

Op de huidige oostelijke bedrijventerreinen van Barendrecht (BT-Oost) en het bedrijventerrein Veren Ambacht rijdt een lijndienst die het treinstation verbindt met de bedrijven. Voor een goede OV-verbinding van Nieuw Reijerwaard met het treinstation kan met de vervoerder worden besproken om deze lijndienst uit te breiden. Daarnaast zijn er twee lijndiensten die in het plangebied lopen. Via de Verbindingsweg rijdt een lijndienst tussen Rotterdam en Ridderkerk, met een halte in het plangebied ter hoogte van het bestaande hotel / conferentiecentrum. Ook rijdt er een lijndienst via de Rijksstraatweg. Aan de noordzijde van de Rijksstraatweg is hiervoor een bussluis ingericht. Vanwege de aanleg van het turboverkeersplein komt de bussluis te vervallen: de doorgang voor lijndiensten kan niet goed in het ontwerp van het turboverkeersplein worden ingepast.

In overleg met de vervoerder wordt een alternatief bepaald. De route kan bijvoorbeeld worden omgeleid via de meest westelijke bedrijfslaan, waar buslijnen via de Voorweg de Rijksstraatweg kunnen bereiken. Ook zijn alternatieve routes denkbaar, waarmee een groter gedeelte van het bedrijventerrein via de lijndienst wordt ontsloten.

De ontsluiting van het plangebied per openbaar vervoer is op basis van bovengenoemde OV-voorzieningen goed te noemen. Daarnaast liggen er kansen voor verdere verbetering van de ontsluiting van Nieuw Reijerwaard per openbaar vervoer.

Parkeren

Het parkeren van de bedrijven vindt plaats op eigen terrein. Voor de parkeernormering wordt aangesloten bij de CROW-normen.

Gezien de aard van het bedrijventerrein is het niet nodig om in de openbare ruimte parkeervoorzieningen te realiseren. Wel wordt een centrale voorziening gerealiseerd voor het parkeren van vrachtwagens. Het agro-logistieke karakter betekent dat er veel internationaal vrachtverkeer van en naar het bedrijventerrein rijdt. Vrachtwagens kunnen parkeren op het centrale parkeerterrein, waar tevens sanitaire voorzieningen beschikbaar zijn. Binnen het plan is rekening gehouden met een centrale parkeervoorziening voor vrachtwagens. De parkeervoorziening wordt mogelijk gemaakt binnen de bedrijfsbestemming, rekening houdend met het minimaliseren van mogelijke overlast voor de omgeving. Ter voorkoming van geluidoverlast door (koel)agregaten wordt een vaste stroomaansluiting voor vrachtwagens gerealiseerd.

De parkeervoorziening wordt in ieder geval niet op het terrein tussen de Rijksstraatweg en halverwege de eerste en tweede bedrijfslaan gesitueerd. Dit is in de regels van het inpassingsplan uitgesloten.

hoofdstuk 6 Milieueffectrapportage

Ten behoeve van de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard is een milieueffectrapportage(m.e.r)-procedure doorlopen. Hiermee zijn de milieueffecten van de ontwikkeling ten behoeve van het ruimtelijk besluit (dit inpassingsplan) in beeld gebracht. In dit hoofdstuk zijn belangrijkste conclusies van het milieueffectrapport (MER) beschreven.

6.1 Procedure

Parallel met het vooroverleg op basis van het concept ontwerp Inpassingsplan is ten behoeve van de m.e.r. de notitie reikwijdte en detailniveau ter inzage gelegd. In die notitie is aangegeven wat het voornemen was om in het kader van de m.e.r.-procedure te onderzoeken. Op basis van die notitie, de zienswijzen daarop en het vooroverleg is door de Milieudienst Rijnmond (DCMR) een advies voor reikwijdte en detailniveau opgesteld en is het milieuonderzoek op enkele aspecten aangepast. Het milieueffectrapport is en samen met het ontwerpinpassingsplan ter visie gelegd.

De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard valt onder de Crisis- en Herstelwet. Dit houdt voor de milieueffectrapportage Nieuw Reijerwaard concreet in dat vooraf geen richtlijnadvies van de commissie voor de milieueffectrapportage is gevraagd. Er is geen verplichting tot alternatievenonderzoek. Wel is het effect van een aantal (inrichtings)varianten onderzocht;

  • wel of geen derde ontsluiting tussen Nieuw Reijerwaard en Veren Ambacht;
  • een groene wig (van smal naar breed) of groene zone (overal 100 meter) tussen het bedrijventerrein en de Rijksstraatweg;
  • variaties in de omvang van de windturbines langs de Verbindingsweg.

Het MER is getoetst door de commissie voor de milieueffectrapportage.

6.2 Conclusies

De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard is mogelijk binnen de geldende milieuwetgeving. De verandering van de milieusituatie is voor de meeste aspecten ten opzichte van de autonome situatie beperkt. Hiermee zijn vanwege de ontwikkeling ook geen relevante effecten op de volksgezondheid te verwachten. Het verkeer kan afgewikkeld worden met een nieuw te realiseren verkeersplein bij de IJsselmondse knoop. Anders dan via de beoogde ontsluiting via het verkeersplein naar de A15 treden in de omgeving, waaronder in Ridderkerk en Rijsoord, geen bijzondere veranderingen van verkeersstromen op.

De belangrijkste milieueffecten spelen bij woningen aan de rand van het plangebied. Geluid ten gevolge van het bedrijventerrein is hierbij een belangrijk aandachtpunt, zeker langs de Rijksstraatweg die ligt tussen het bestaande Veren Ambacht en het nieuwe bedrijventerrein. Het effect wordt daar beperkt door realisatie van een groene zone met aarden wal.

De meeste ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden ondervinden, afgezien van een aanzienlijke verandering van de beleving van het landschap door met name omwonenden, geen bijzonder nadelige gevolgen van de ontwikkeling ten opzichte van de autonome situatie. Ook zijn significante effecten op verderop gelegen Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Dit is aangetoond in een passende beoordeling. De bodem en het watersysteem blijven na realisatie van het plan goed functioneren en het plan heeft een duurzame stedenbouwkundige opzet. Wel is het van belang om de potentie die het plan heeft voor duurzame energieopwekking en andere duurzaamheidsmaatregelen te borgen bij de uitgifte van de gronden.

De varianten zijn maar in zeer beperkte mate onderscheidend. Het aanpassen van de groene wig tot een overal 100 meter brede groene zone en de windvariant, leiden niet tot een andere waardering van de milieueffecten. De derde ontsluiting onderscheid zich in negatief opzicht vanwege de ligging in het gebied van de boomgaard, die deel uitmaakt van het provinciale landschap. Daar staat tegenover dat indien de derde ontsluiting gerealiseerd wordt, ook invulling gegeven wordt aan de groene en extensief recreatieve doelstelling voor dit gebied.

Maatregelen om het milieueffect te beperken betreffen hoofdzakelijk maatregelen nabij de Rijksstraatweg. Door in de zone nabij de Rijksstraatweg geen grootschalige vrachtwagenparkeervoorziening toe te staan is de kans op hieraan gerelateerde milieu- en sociale hinder kleiner.

De variant die uiteindelijk in het inpassingsplan is opgenomen is de variant met een overal 100 meter brede groene zone parallel aan de Rijksstraatweg en waarbij niet voorzien wordt in een derde ontsluiting ter plaatse van het gebied van de boomgaard.

MER validatie

Voor de realisatie van drie windturbines met een ashoogte en rotordiameter van 100 meter (en daarmee een tiphoogte van 150 meter) is een validatie op het MER opgesteld. Realisatie van drie van deze turbines is mogelijk binnen de vigerende milieuregelgeving en geeft geen aanleiding om af te wijken van het stedenbouwkundig uitgangspunt van realisatie van de windturbines in lijnopstelling langs de Verbindingsweg. In het inpassingsplan zijn deze turbines bij recht opgenomen.

De validatie op het MER ten behoeve van deze windturbines is bij dit inpassingsplan opgenomen als bijlage bij de Nota van beantwoording.

6.3 Commissie-m.e.r.

De onafhankelijke Commissie voor de m.e.r. heeft op 5 februari 2013 een voorlopig en op 20 maart 2013 een definitief toetsingsadvies over het MER gegeven.

MER aanvulling

Naar aanleiding van het voorlopig advies is door de provincie een aanvulling op het MER opgesteld, waarmee invulling gegeven is aan de geconstateerde tekortkoming; de onderbouwing (ook op milieugronden) van de locatie en omvang van Nieuw Reijerwaard.

Positief toetsingsadvies

Na ontvangst van de aanvulling op het MER heeft de commissie een definitief toetsingsadvies uitgebracht en positief gereageerd op het MER, inclusief aanvulling.

"De Commissie is van oordeel dat het MER en de aanvulling daarop de essentiële informatie bevatten om een besluit te kunnen nemen over het inpassingsplan voor het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen."

De commissie benoemt met betrekking tot de locatiekeuze nog een viertal, niet essentiële, aandachtspunten voor de verdere besluitvorming en brengt enkele adviezen uit met betrekking tot:

  • een zorgvuldige uitwerking van het verkeersplein;
  • een check van de conclusies dat op purperreigers, buiten het broedseizoen (op de vliegroutes), geen effecten optreden;
  • het uitzoeken van mitigerende maatregelen voor soortbescherming;
  • de omgang met de referentiesituatie;
  • de volksgezondheid;
  • de te positieve formulering van effecten op landschap, cultuurhistorie en archeologie, met betrekking tot de beleving van bewoners;
  • het borgen van het aspect duurzaamheid.

Deze adviezen zijn betrokken bij het besluit tot vaststelling van dit inpassingsplan.

Het definitieve toetsingsadvies en de aanvulling op het MER zijn bij dit inpassingsplan opgenomen als bijlage bij de Nota van beantwoording en wijziging.

hoofdstuk 7 Milieu en overige aspecten

Om de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan aan te tonen, zijn verschillende milieu- en gebiedsonderzoeken uitgevoerd. In dit hoofdstuk zijn de voor het inpassingsplan relevante sectorale aspecten in beeld gebracht, waarbij per aspect een korte inleiding is gegeven, gevolgd door een conclusie welke naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek getrokken kan worden. Er wordt ingegaan op de aspecten bedrijven en milieuzonering, akoestiek, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, cultuurhistorie, archeologie, externe veiligheid, natuur en waterhuishouding.

De rapportages die ten grondslag liggen aan de onderstaande beschrijvingen zijn als bijlagen bij het inpassingsplan en MER in te zien.

7.1 Bedrijven en milieuzonering

Beleidskader

Bedrijven en milieuzonering

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 6, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden.

In de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Verwezen wordt naar de VNG-brochure "bedrijven en milieuzonering" (2009) en de daarin gehanteerde milieucategorieën. Om inzicht te verschaffen in de verschillende milieucategorieën van diverse typen bedrijven is een Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen bij de regels, welke is gebaseerd op de VNG-brochure "bedrijven en milieuzonering" (2009).

Onderzoek

De milieuzonering binnen Nieuw Reijerwaard wordt gebaseerd op het principe 'inwaarts zoneren' volgens de VNG. Inwaarts zoneren betekent dat in de omgeving van gevoelige objecten (woningen) lichtere milieucategorieën worden toegestaan en de zwaardere milieucategorieën op een grotere afstand van deze objecten. Het plangebied is geschikt voor bedrijven uit milieucategorie 3 en 4. Uitgaande van het gebiedstype 'gemengd gebied' is op basis van deze categorisering het bedrijventerrein als volgt ingedeeld;

  • milieucategorie 3.1: van 30 meter;
  • milieucategorie 3.2: vanaf 50 meter;
  • milieucategorie 4.1: vanaf 100 meter;
  • milieucategorie 4.2: vanaf 200 meter.

De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de (achter-)gevel van een woning + 2,5 meter (mogelijkheid vergunningvrij bouwen). Als dit principe gehanteerd zou worden zou een 'gekartelde' zonering ontstaan in het plangebied. Daarom is bij de Rijksstraatweg uitgegaan van de (achter)grens van de woonpercelen/ de plangrens.

Conclusie

Door het principe van inwaarts zoneren toe te passen in onderhavig inpassingsplan ontstaan geen conflicterende situaties tussen hinder veroorzakende bedrijfsactiviteiten en gevoelige functies. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor onderhavig inpassingsplan.

7.2 Akoestiek

Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de invloed van de ontwikkeling Nieuw Reijerwaard en aanverwante ruimtelijke ingrepen (zoals de aanleg van een nieuw verkeersplein nabij de IJsselmondse Knoop) op de omgeving te bepalen. Dit onderzoek is bij het inpassingsplan opgenomen als bijlage van het MER. In onderstaande paragraaf worden de planologisch relevante aspecten uit het onderzoek beschreven.

Beleidskader

Wet geluidhinder

Voor het aspect wegverkeerslawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijke kader. Binnen het plangebied worden enkele nieuwe wegen aangelegd en is sprake van een reconstructie van bestaande wegen (in het kader van onderhavig plan met name de realisatie van het turboverkeersplein).

Op basis van de Wgh dient bij de aanleg van een weg te worden aangetoond dat de geluidbelasting op woningen in de directe omgeving van het plangebied de grenswaarden uit de Wgh niet overschrijd.

Daarnaast dient voor de aanpassingen aan bestaande wegen aangetoond te worden of er sprake is van een reconstructie in het kader van de Wgh. Van een reconstructie in de zin van de Wgh is sprake bij een wijziging op of aan een aanwezige weg waarbij de toename van de geluidbelasting 1,5 dB (afgerond 2 dB) of meer bedraagt op nabijgelegen woningen.

De Wgh is van toepassing binnen de wettelijke vastgestelde zone van de weg. De breedte van de geluidzone langs wegen is geregeld in artikel 74 Wgh en is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (stedelijk of buitenstedelijk). De ruimte boven en onder de weg behoort eveneens tot de zone van de weg.

Wet milieubeheer

Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder (waaronder geluidhinder) kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe.

Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 6, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. Ten aanzien van de woningen aan de Rijksstraatweg en de bedrijfswoningen aan de Hoogzandweg wordt in de uitwerking van de bestemming 'Bedrijventerrein' een milieuzonering aangehouden. Onderhavig inpassingsplan gaat uit van het principe 'inwaarts zoneren'. Zie hiervoor § 7.1.

Onderzoek

Op het bedrijventerrein worden nieuwe wegen aangelegd, waarbij slechts geluidgevoelige objecten binnen de zone van enkele van deze nieuwe wegen zijn gelegen.

Eén nieuwe weg (de tweede ontsluitingsweg) wordt aangelegd die het bedrijventerrein ontsluit naar de Veren Ambachtseweg. Tussen de woningen Rijksstraatweg 316 en 318 wordt voor deze ontsluitingsweg een onderdoorgang aangelegd onder de Rijksstraatweg door.

Binnen de zone van de eerste bedrijfslaan (ten opzichte van de Rijksstraatweg) tussen de Verbindingsweg en de Voorweg in het verlengde van de Krommeweg liggen eveneens geluidgevoelige bestemmingen.

De bestaande kruising tussen de Dierensteinweg, de zuidelijke toe- en afrit 20 Barendrecht van de A15, de IJsselmondse Randweg en de Veren Ambachtseweg wordt vervangen door een verkeersplein. Op dit verkeersplein sluiten de eerder genoemde wegen en de Verbindingsweg aan. In het kader van de aanleg van dit verkeersplein worden de genoemde wegen verlegd.

Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelasting op de woningen binnen de geluidzone van de hiervoor genoemde wegen.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de eerste bedrijfslaan op het bedrijventerrein de geluidbelasting ten hoogste 42 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt.

Ten gevolge van het wegverkeer op de nieuw aan te leggen tweede ontsluitingsweg bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 47 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Daarmee is er geen noodzaak tot het treffen van maatregelen. Omwille van de woonkwaliteit zijn enkele woningen rondom de tweede ontsluitingsweg opgenomen in het plangebied en 'wegbestemd'. In het onderzoek is er daarnaast van uitgegaan dat de adressen Rijksstraatweg 400 tot en met 408 gesloopt worden. Op deze woningen vindt een onevenredige grote toename van de geluidbelasting plaats. Tevens is rekening gehouden met sloop van vier woningen van the Greenery vanwege de aansluiting van dit bedrijf op het verkeersplein.

Voor 22 woningen aan de Rijksstraatweg in Ridderkerk is sprake van een toename van de geluidbelasting ten gevolge van de aansluiting op de A15. Voor deze woningen bedraagt de toename meer dan 2 dB en is er sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh. Op drie van deze woningen treedt eveneens een reconstructie-effect op ten gevolge van de IJsselmondse Randweg.

Het toepassen van een stiller wegdek of het plaatsen van een geluidscherm of -wal tussen de maatgevende wegen en de woningen aan de Rijksstraatweg is omwille van stedenbouw- en vervoerskundige redenen niet mogelijk. Om die reden zijn door de gemeente Ridderkerk voor de 22 woningen aan de Rijksstraatweg hogere waarden vastgesteld.
Conclusie

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ten gevolge van het wegverkeer op de nieuw aan te leggen nieuwe weg op het bedrijventerrein en de tweede ontsluitingsweg de geluidbelasting respectievelijk ten hoogste 42, 47 en 37 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh bedraagt, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Voor verschillende woningen aan de Rijksstraatweg is sprake van een toename van de geluidbelasting ten gevolge van de A15 en de IJsselmondse Randweg tot maximaal 2,71 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh. Voor deze woningen bedraagt de toename daarmee meer dan 2 dB en is er sprake van een reconstructie in de zin van de Wgh.

Voor deze hogere waarden, die vastgesteld zijn door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, voor dit inpassingsplan een hogere waardenprocedure doorlopen.

7.3 Luchtkwaliteit

Beleidskader

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren.

Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. De gestelde normen voor NO2 en PM10 bedragen 40 µg/m3 voor de jaargemiddelde grenswaarden. Daarnaast wordt getoetst aan de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3, welke maximaal 35 keer per jaar mag worden bereikt.

Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden aangepast. Het tijdstip waarop aan de normen voor PM10 moet worden voldaan, geldt vanaf juni 2011. Voor NO2 is dit tijdstip gesteld op 1 januari 2015. Deze data komen overeen met de uiterste data van de richtlijn.

Als een IBM-project is opgenomen in het NSL dan speelt het aspect luchtkwaliteit geen rol en is een nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet nodig. De reden hiervoor is dat er in het NSL reeds maatregelen zijn opgenomen die de negatieve gevolgen op de luchtkwaliteit ten gevolge van dat project te niet doen.

Onderzoek

De ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), waarin de rijksoverheid centraal borgt dat voor heel Nederland wordt voldaan aan de Europese grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Daarbij is rekening gehouden met de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen waarover binnen de looptijd van het NSL een besluit wordt genomen, waaronder Nieuw Reijerwaard. Met opname van Nieuw Reijerwaard in het NSL, wordt voldaan aan de wetgeving met betrekking op de luchtkwaliteit. Aangezien Nieuw Reijerwaard is opgenomen in het NSL en daarmee geen nader luchtkwaliteitonderzoek vereist is, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig Inpassingsplan.

Oorspronkelijk was Nieuw Reijerwaard met 50 hectare in het NSL opgenomen. Aangezien het voornomen besluit 96 hectare netto bedrijventerrein toestaat, is door middel van een melding aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de omvang van het project gewijzigd. Bij de betreffende melding is rekenkundig aannemelijk gemaakt dat Nieuw Reijerwaard past binnen of in elk geval niet in strijd is met het NSL, waarmee voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden met betrekking op de luchtkwaliteit.

Op 1 augustus 2012 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in een brief aangegeven akkoord te gaan met het opnemen van Nieuw Reijerwaard met een oppervlakte van 96 hectare in het NSL. Hiermee wordt voldaan aan de wetgeving met betrekking tot luchtkwaliteit en vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig Inpassingsplan.

Conclusie

Aangezien Nieuw Reijerwaard is opgenomen in het NSL en daarmee geen nader luchtkwaliteitonderzoek vereist is, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig inpassingsplan.

7.4 Bodemkwaliteit

Beleidskader

Wet bodembescherming

Ontwikkelingen kunnen, conform de Wet bodembescherming (Wbb) pas plaatsvinden als de (land- of water)bodem waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden geschikt is of door middel van sanering geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij iedere nieuwbouwactiviteit of bestemmingswijziging dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek voor vaststelling van het bestemmingsplan in beeld te zijn gebracht.

In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Er is daarbij wel een differentiatie mogelijk waarbij de bestaande situatie in relatie wordt gebracht met het toekomstige (gewijzigde) situatie ten aanzien van de functie / het gebruik van de gronden.

De kwaliteit van een verontreinigde bodem moet voor de realisatie van een nieuwe bestemming voldoen aan doelstellingen uit het BEVER beleid (beleidsvernieuwing bodemsanering). Het beleid is er op gericht functioneel om te gaan met eventueel aanwezige verontreinigingen: 'actief bodembeheer'. Actief bodembeheer wordt opgevat als een vorm van ketenbeheer: bescherming, hergebruik van licht verontreinigde grond en puin, beheer en sanering van 'nieuwe gevallen' van verontreinigingen en bestaande verontreinigingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Als uitgangspunt geldt het 'stand still beginsel, met een plus'. Met andere woorden: minimaal de bestaande bodemkwaliteit behouden en, daar waar mogelijk, de bodemkwaliteit verbeteren.

Door vergunningverlening, toezicht en handhaving van de Wet milieubeheer (Wm) en de Wbb wordt de bodem zo goed mogelijk beschermd tegen handelingen met bodembedreigende stoffen en worden nieuw ontstane verontreinigingen onderzocht en aansluitend gesaneerd.

Bodemvisie Zuid-Holland

De provincie Zuid-Holland heeft verschillende ambities op het gebied van bodemthema's geformuleerd. De relevante ambities zijn:

  • Bodemdaling moet worden tegengaan en het huidige maaiveldniveau worden gehandhaafd. Daar waar dit niet mogelijk is moeten maatregelen worden genomen om het proces zoveel mogelijk te vertragen;
  • Verder verlies aan open (groene) ruimte, waar de bodem zijn waterbufferende functie vervult, moet beperkt worden. Daar waar deze functie door bebouwing en verharding verloren is gegaan, moet het verlies aan waterbufferend vermogen (door bodemafdekking) zoveel mogelijk hersteld of gecompenseerd worden;
  • Binnen de provincie Zuid-Holland staat het voorkomen van nieuwe lokale bodemverontreinigingen via de Wm (via vergunningseisen) centraal. Echter, daar waar deze desondanks toch ontstaan, dienen de activiteiten die tot de verontreiniging leiden onverwijld te worden beëindigd. De bodemkwaliteit moet dan worden hersteld, ongeacht het risico van de verontreiniging;
  • Zoet grondwater moet in de gehele provincie beschermd worden (dus ook buiten de grondwaterbeschermingsgebieden). Dit betekent dat kwaliteitsverslechtering niet wordt toegestaan en dat kwaliteitsverbetering, tot aan de natuurlijke waarden, gestimuleerd moet worden.

Onderzoek

In september 2011 is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Het doel van het onderzoek is om op een effectieve manier inzicht te krijgen in eventuele bodemgerelateerde risico's en knelpunten die vanuit de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit op kunnen treden.

Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied voornamelijk als landbouwgrond en glastuinbouw in gebruik is (geweest). Op een aantal adressen in het plangebied zijn (voormalige) verdachte bedrijfsactiviteiten en (voormalige) tanks geconstateerd. Door ingrepen in het plangebied is een aantal sloten gedempt.

De exacte locaties van de slootdempingen zijn onbekend. Ook kunnen in het plangebied plaatselijk ophogingen voorkomen.

Uit eerder uitgevoerd bodemonderzoeken blijkt dat in het plangebied plaatselijk matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie kunnen voorkomen. Mogelijk kan er in het plangebied asbest voorkomen vanwege het voormalig gebruik van bijvoorbeeld asbesthoudende dakbedekking of asbesthoudende kitvoegen in kassencomplexen (bouwjaar vóór 1993).

Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Ridderkerk wordt het plangebied aangeduid met functie 'landbouw/natuur'. Echter kan de bodemkwaliteitskaart niet toegepast worden om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te bepalen. Dit vanwege het voorkomen van diverse bodembedreigende activiteiten in het plangebied. Derhalve dient een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

Om de uitkomsten van het historisch onderzoek te verifiëren, wordt een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740 uitgevoerd.

Conclusie

De resultaten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied, die met onderhavig inpassingsplan wordt mogelijk gemaakt.

De uitkomsten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek worden nog geverifieerd middels een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740. DCMR heeft als bevoegd gezag ingestemd met de resultaten van het uitgevoerde historisch onderzoek. Voor het inpassingsplan is het uitgevoerde onderzoek toereikend. Er bestaat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig inpassingsplan.

7.5 Cultuurhistorie

Beleidskader

Nota Belvedère en MoMo

In de 'Nota Belvedère; Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting' (1999) is door het Rijk een visie gegeven op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden omgegaan. Het behoud en de benutting van het cultureel erfgoed is van grote betekenis omdat het kwaliteit toevoegt aan de culturele dimensie van de ruimtelijke inrichting. De voornaamste opgave is dan ook het vinden van een verantwoord evenwicht tussen de diverse ruimtelijke opgaven en de bestaande cultuurhistorische kwaliteiten.

Vanaf 2009 werd de Nota Belvedere vervangen door de MoMo (Modernisering Monumentenzorg), die uiteindelijk leidde tot verplichtingen met betrekking tot cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening.

Ruimtelijke structuurvisie Zuid Holland (2010)

Cultuurhistorie is een van de dragers van ruimtelijke kwaliteit. De opgave voor het ruimtelijk beleid is om vanuit een integraal perspectief:

  • te bevorderen dat cultuurhistorisch waardevolle structuren, complexen, ensembles en elementen behouden blijven;
  • te bevorderen dat de cultuurhistorie kan worden beleefd en bijdraagt aan de recreatief toeristische kwaliteit van het landelijk gebied.

Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) provincie Zuid - Holland

In de CHS wordt een overzicht gegeven van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. Archeologische, historisch-landschappelijke en historisch-stedenbouwkundige gegevens zijn in deze digitale kaart op hoofdlijnen weergegeven. De provincie betrekt de cultuurhistorie bij ruimtelijke ontwikkelingen en richt zich hierbij vooral op het beschermen en versterken van het cultureel erfgoed voor zover dit is vastgelegd op de kaart van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur.

Modernisering Monumentenzorg (MoMo)

Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1. lid 2). Wat voor archeologie geldt, gaat voor al het cultureel erfgoed gelden. De volgende regel is dan kracht:

In de toelichting van het inpassingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Dat kan op verschillende manieren en kan van het wettelijk verplichte minimum tot en met uitgebreide eigen beleid.

Onderzoek

De Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland laat een aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving van het plangebied zien. Zo is de Rijksstraatweg aangeduid als een landschappelijke lijn met een redelijk hoge waarde. De Rijksstraatweg valt grotendeels buiten het plangebied. Op een plaats wordt een doorsteek gemaakt vanaf het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard richting de Veren Ambachtseweg. De landschappelijke kwaliteit van de Rijksstraatweg wordt daarmee echter niet aangetast. De Rijksstraatweg wordt doorkruist waarbij de ontsluitingsweg onder de Rijksstraatweg doorloopt.

Ten zuiden van het plangebied is de Waal aangeduid als een landschappelijk vlak met een hoge waarde en bevindt zich een molen(biotoop) met een zeer hoge waarde. De ontwikkeling Nieuw Reijerwaard heeft geen invloed op beide elementen.

verplicht

Figuur 29: uitsnede Cultuurhistorische Atlas (bron: www.zuidholland.nl)

Conclusie

De cultuurhistorische waarden in en om het plangebied vormen geen belemmering voor de realisatie van bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard, die met onderhavig inpassingsplan wordt mogelijk gemaakt.

7.6 Archeologie

Beleidskader

Verdrag van Malta

Dit verdrag stelt dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologische belangen in de ruimtelijke ordening. Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa, waaronder Nederland, en in 1998 is geratificeerd. Het Verdrag van Malta beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Uitgangspunt is dat het archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. Dit is gevat in drie principes:

  1. In ruimtelijke ordeningsprocessen tijdig rekening houden met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden zodat er ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven. Zo wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden om het bodemarchief zodoende beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de uitvoering van ruimtelijke plannen te beperken.
  2. Streven naar behoud in situ van archeologische waarden. De bodem is de beste garantie voor een goede conservering van archeologische resten.
  3. De verstoorder betaalt voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarde, wanneer behoud in situ niet mogelijk is.

Andere belangrijke bepalingen uit het verdrag zijn:

  • communicatie met het publiek;
  • uitwisseling van kennis en archeologiedeskundigen tussen de landen.
  • Het Verdrag van Malta heeft een vertaling gekregen in de Wet op de archeologische monumentenzorg die op 1 september 2007 in werking is getreden.

Onderzoek

Door de graafwerkzaamheden die plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden in het gebied verloren gaan. Daarom is op basis van het verdrag van Malta, waaruit de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is voortgekomen archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek luidt de conclusie dat de specifieke archeologische verwachting sterk samenhangt met de geomorfologische en bodemkundige situatie. De middelhoge trefkans die voor het plangebied op verschillende kaarten staat aangeduid moet dan ook worden gehandhaafd. Mogelijk zijn twee kreekruggen/restgeulen in het plangebied aanwezig. Daarvoor geldt een hoge trefkans.

Om de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied aan te tonen, wordt in eerste instantie een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase middels boringen uitgevoerd. Op die manier wordt de gespecificeerde verwachting van het bureauonderzoek getoetst en kan voor Nieuw Reijerwaard een uitspraak worden gedaan welke zones kansrijk blijven voor het aantreffen van archeologische waarden en welke zones kansarm zijn als gevolg van de resultaten van dat onderzoek.

Conclusie

Het plangebied kan nog niet worden vrijgegeven vanuit het aspect archeologie. Daarom is voor het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

Met een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase middels boringen wordt de gespecificeerde verwachting uit het bureauonderzoek getoetst.

7.7 Externe veiligheid

Beleidskader

Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires:

  • Inrichtingen (bedrijven): Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Transportroutes: circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, op termijn te vervangen door het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev);
  • Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Deze wettelijke kaders gaan uit van een minimum veiligheidsniveau voor locaties via het plaatsgebonden risico (PR) en het beperken van het theoretisch aantal slachtoffers in geval van een incident via het groepsrisico (GR).

Het provinciale externeveiligheidsbeleid is opgenomen in het Beleidsplan externe veiligheid en het Uitvoeringsprogramma externe veiligheid (2010). De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) heeft daarnaast, in samenspraak met de DCMR Milieudienst Rijnmond, een scenarioanalyse inclusief gemeentelijke afwegingskaders opgesteld voor de gemeente Ridderkerk.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Het externeveiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het beleid omtrent het plaatsgebonden risico bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Binnen de plaatsgebondenrisicocontouren bestaat een bepaald jaarlijks risico om te komen te overlijden als gevolg van een calamiteit, uitgaande van een persoon die continu en onbeschermd op die locatie verblijft. Binnen deze contouren kunnen harde bouwbeperkingen gelden. Deze beperkingen kunnen per risicobron en per object verschillen.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

Verantwoordingsplicht

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden overheden gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (Ministeries van VROM en Binnenlandse Zaken, november 2007) zijn deze onderdelen nader uitgewerkt en toegelicht.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Onderzoek

Onderhavig inpassingsplan biedt ruimte aan de realisatie van bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard. Vanwege de aanwezigheid van diverse risicovolle activiteiten is externe veiligheid hierbij een relevant onderwerp. De omvang van het risico wordt gevormd door de risicobron, de mogelijke effecten bij een ongeval en het aantal personen in de omgeving van de risicobron.

Risicobronnen en risicobeoordeling

Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat voor de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard de rijkswegen A15 en A16 en twee van de drie aanwezige hogedrukaardgastransportleidingen de grootste gevolgen voor de externe veiligheid van het gebied hebben. In mindere mate zijn een ammoniakkoelinstallatie (H.M. de Jong Koel- en Vrieshuis B.V.), een lpg-tankstation (Shell Tankstation Dierensteinweg B.V.) en een propaantank (MTS Boer-Den Hoedt) relevant.

Voor het plaatsgebonden risico zijn de 10-6-contouren (de 'veiligheidszone') van 80 meter vanuit de A15, 66 meter vanuit de A16 en de verbindingsbogen tussen de A15 en de A16, en 25 meter vanaf de propaantank van MTS Boer-Den Hoedt (50 meter indien sprake is van verminderd zelfredzame personen of grote groepen personen) relevant. Rond de aardgastransportleidingen is geen 10-6-contour gelegen.

Op het bedrijventerrein is de vestiging van inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uitgesloten, met uitzondering van ammoniakkoelinstallaties, aangezien deze van belang (kunnen) zijn voor de doelgroep. In de omgeving van de windturbines is vanuit externe veiligheidsoverwegingen voorzien in een zone opgenomen waar het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de aanwezigheid van geen ammoniakkoelinstallaties.

Verantwoording van het groepsrisico

Het groepsrisico is relevant voor de beide snelwegen en de hogedrukaardgastransportleidingen. Voor beide risicobronnen volgt uit de kwantitatieve risicoanalyse dat het groepsrisico weliswaar toeneemt, maar niet de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vanwege de toename dient het bevoegd gezag verantwoording af te leggen over de omvang van het groepsrisico. De elementen die ten grondslag liggen aan die afweging hebben primair betrekking op de onderwerpen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Tevens is advies gevraagd aan en gekregen van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, welke als bijlage bij het onderzoek naar externe veiligheid is gevoegd.

Kort samengevat zijn de volgende overwegingen relevant:

  • Het groepsrisico van de rijkswegen A15 en A16 en de hogedrukaardgastransportleidingen neemt toe als gevolg van de ontwikkeling, maar blijft onder de oriëntatiewaarde. Deze toename is een gevolg van een toename van de personendichtheid, waarbij voor de QRA een worstcaseaanname van 80 personen per hectare is gedaan.
  • De bereikbaarheid van het plangebied is in de huidige situatie voldoende. In het plan wordt ervoor gezorgd dat hierin voor hulpdiensten geen verandering optreedt. In het plan wordt tevens een noodontsluiting mogelijk gemaakt bij het hotel.
  • Vluchtwegen zijn eveneens voldoende: afhankelijk van de risicobron kan naar diverse richtingen worden gevlucht. Toekomstige gebouwen dienen als schuillocatie gebruikt te kunnen worden (dit dient te worden besproken met initiatiefnemers). Het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem WAS) is niet dekkend, maar dit is niet verplicht voor een bedrijventerrein en bovendien wordt de noodzaak beperkt door nieuwe communicatiemiddelen en door de beperkte tijd tussen incident en alarmering.
  • Bluswatervoorziening is niet voldoende in relatie tot de mogelijke scenario's. Dit aspect wordt in samenspraak met de VRR uitgewerkt.
  • In overleg met de Gasunie worden bronmaatregelen besproken. In dit stadium zijn die echter nog niet aan de orde. Bouwkundige maatregelen kunnen effectief zijn, maar kunnen pas worden toegepast indien zich een ontwikkelaar of bedrijf aandient. Deze maatregelen kunnen niet in het kader van dit ruimtelijk besluit worden geëist.

Windturbines

Het inpassingsplan biedt ruimte aan windturbines. Deze kunnen een risico opleveren voor de omgeving indien een onderdeel van de turbine afbreekt. Dit kan tot directe effecten en domino-effecten leiden. In onderstaande tabel 3 is een overzicht van relevante risicoafstanden opgenomen. Voor de beoordeling van de veiligheidsconsequenties is uitgegaan van een individueel vermogen van circa 3 MW. Een nadere toelichting is opgenomen in genoemde rapportage.

Beoordelingspunt Afstand [m] Aspect Opmerking
Kwetsbare objecten 150 Externe veiligheid Plaatsgebonden risico 10-6 per jaar.
Beperkt kwetsbare objecten 50 Externe veiligheid Plaatsgebonden risico 10-5 per jaar. Geen bedrijven binnen deze contour toegestaan.
Bevi-inrichtingen 180 Domino-effecten Binnen deze afstand zijn domino-effecten niet uit te sluiten.
Hogedrukaardgas-transportleidingen 117 Externe veiligheid Plaatsgebonden risico 10-6 per jaar.
Rijkswegen (A15, A16) 50 Verkeersveiligheid Beleidsregel Rijkswaterstaat.

Tabel3: Afstanden tussen windturbines en objecten voor een windturbine van 3 MW met een masthoogte van 100 meter en een rotordiameter van 100 meter.

Met bovengenoemde afstanden is rekening gehouden bij de inrichting van het plangebied; zo is binnen 50 meter van een windturbine geen bebouwing toegestaan.

Om domino-effecten uit te sluiten wordt aangesloten bij de algehele beperking dat de plaatsgebondenrisicocontour (10-6 per jaar) niet buiten de perceelsgrens mag vallen, aangevuld met de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om nadere eisen te stellen bij het verlenen van een nadere eis dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een ammoniakkoelinstallatie binnen 180 meter van de windturbine voor goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag (overigens kan eveneens besloten worden tot gebruik van een alternatief koelmiddel met kleinere effecten). Daarbij dient een onderzoek naar de gevolgen voor het groepsrisico te worden overlegd, inclusief een beschouwing van de gevolgen voor domino-effecten als gevolg van de aanwezigheid van de windturbines.

Conclusie

De meest relevante risicobronnen zijn de rijkswegen A15 en A16 en de hogedrukaardgastransportleidingen. Het plan maakt geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk binnen de veiligheidszone van de rijkswegen en de aardgasleidingen hebben geen plaatsgebondenrisicocontour van 10-6 per jaar of meer. Tevens is rekening gehouden met de veiligheidscontouren rondom de geplande windturbines. In het inpassingsplan worden geen nieuwe risicovolle bedrijven toegestaan, met uitzondering van (ammoniak)koelinstallaties.

Het groepsrisico als gevolg van de ontwikkeling neemt toe, maar overschrijdt nergens de oriëntatiewaarde. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Voor deze ontwikkeling is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd, waarin tevens de elementen voor de uitwerking van de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen. De meest relevante maatregel betreft het uitsluiten van Bevi-inrichtingen, met uitzondering van ammoniakkoelinstallaties, en het beperken van de plaatsgebondenrisicocontour van 10-6 per jaar tot de perceelsgrens of aangrenzende groen- en verkeersbestemmingen voor die koelinstallaties.

Uit het gevoerde onderzoek naar de externe veiligheid blijkt dat de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard mogelijk is op het gebied van de externe veiligheid. Enig restrisico wordt geaccepteerd.

7.8 Natuur

Beleidskader

Soortenbescherming

Op 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van plant- en diersoorten. Tegelijkertijd vormt deze wet de implementatie van Europese en internationale verplichtingen. De wet vervangt diverse wetten die voorheen betrekking hadden op de bescherming van dier- en plantsoorten en vormt samen met de Natuurbeschermingswet 1998 het belangrijkste juridische kader voor de bescherming van de natuur. Uitgangspunt van de Flora- en faunawet is het 'nee, tenzij'-principe.

De Flora- en faunawet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud dan wel van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende voorwaarden verbonden. Wel geldt dat in alle gevallen de zorgplicht voor de instandhouding en bescherming van natuurwaarden in acht moet worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Gebiedsbescherming

De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. In de Natura 2000-gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijn-gebied opgenomen. Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.

Onderzoek

In het kader van onderhavig inpassingsplan is ecologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij aandacht is besteed aan zowel de soorten- als de gebiedsbescherming.

Flora- en faunawet

Door de werkzaamheden in het plangebied zijn negatieve effecten op een aantal algemene, beschermde soorten te verwachten. Door een zorgvuldige werkwijze en het nemen van mitigerende maatregelen (onder andere juiste periode van uitvoering) kan schade worden voorkómen en blijven negatieve effecten beperkt. Voor de effecten op de algemene voorkomende, maar beschermde, soorten is geen ontheffing nodig. Voor de algemene soorten geldt een vrijstelling. In het kader van de natuurtoets is voor vogels en vleermuizen nader onderzoek uitgevoerd.

  • Vleermuizen

Uit de natuurtoets en nader veldonderzoek in 2012 zijn de effecten op vleermuizen onderzocht. Er zijn geen vaste rust- of verblijfsplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Langs de Krommeweg en Hoogzandweg zijn vliegroutes aanwezig. Ook is langs de Krommeweg een fourageergebied aanwezig. Deze routes en het fourageergebied blijven met de ontwikkeling van Nieuw Reijerwaard behouden.

In de volgende planfasen wordt nadrukkelijk gekeken om de vliegroutes langs de Krommeweg ter plaatse van de Verbindingsweg te behouden, danwel te mitigeren. Uitgangspunt is dat eventuele negatieve effecten op vleermuizen worden voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Op deze manier worden geen verbodsbepalingen overtreden.

  • Vogels

Uit de natuurtoets blijkt dat het plangebied geschikt is als leefgebied en/of broedbiotoop (vaste verblijfplaats) van een aantal vogelsoorten. Er worden ten gevolge van de ontwikkeling geen verbodsbepalingen overtreden in het kader van de Flora- en faunawet.

De windturbines zijn niet gesitueerd in of grenzend aan een belangrijk weidevogelgebied, noch in de directe omgeving van een broedvogelkolonie. Verstoring van betekenis voor broedvogels is daarom niet aan de orde. Dit betekent dat de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar komt. Doordat het plangebied of de ruimere omgeving ervan niet als rustgebied wordt gebruikt voor ganzen en eenden, en de vliegroutes tussen natuurgebieden en ander ganzenfoerageergebieden niet over het plangebied komen, is er geen sprake van een barrière in de vliegroute tussen het foerageergebied en slaapgebied. Gezien het gering aantal vliegbewegingen is de kans op aanvaringsslachtoffers zeer gering. Bovendien is in alle richtingen voldoende achtergrondverlichting aanwezig van het omliggende stedelijke gebied, kassencomplexen en het verkeersknooppunt Ridderkerk, waardoor de windturbines ook in het donker goed zichtbaar zijn. De gunstige staat van instandhouding van vogels komt hierdoor ook niet in gevaar.

Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage zijn de vliegroutes van purperreigers nader bekeken. De dichtsbijzijnde route betreft die over De Noord. Er zijn geen vliegroutes over, of in de directe omgeving van, Nieuw Reijerwaard. Hiermee treden geen effecten op trekkende purperreigers op.

Gebiedsbescherming

Door het bedrijventerrein kunnen (externe) effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Volgens de effectenindicator (EL&I, 2008) zijn dat onder andere oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en dergelijke en mechanische effecten. Al deze effecten treden niet op vanwege de afstand tussen het bedrijventerrein en de Natura 2000-gebieden.

Effecten die nog wel op grotere afstand invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn stikstofdepositie en effecten van de windmolens op trekbewegingen van vogels. Deze mogelijke effecten zijn in een passende beoordeling onderzocht voor de gebieden binnen de invloedssfeer. Deze passende beoordeling is als bijlage bijgevoegd bij het MER. Dit betreft de Natura 2000-gebieden Boezems Kinderdijk, Donkse Laagten, Oude Maas, Oudeland van Strijen, Biesbosch en Hollands Diep en het Beschermd Natuurmonument Huys ten Donck.

In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat het voornemen niet leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden of Beschermde Natuurmonumenten. Er treden geen significante effecten op Natura 2000-gebieden op (tabel 4).

Natura 2000 gebied status Toelichting Beoordeling
Biesbosch HR en VR Geen gevoelige habitattypen binnen het invloedsgebied
Geen vliegroute
Geen negatief effect
Donkse Laagten VR Geen gevoelig leefgebied van soorten
Geen negatief effect op vliegroutes vogels
Geen negatief effect
Oude Maas HR geen gevoelige habitattypen en geen gevoelig leefgebied van soorten
niet aangewezen voor vogels
Geen negatief effect
Boezems Kinderdijk VR
BN
Geen gevoelig leefgebied van soorten
Geen negatief effect op vliegroutes vogels
Geen negatief effect
Oudeland van Strijen VR Niet aangewezen voor habitattypen en geen gevoelig leefgebied van soorten
Geen negatief effect op vliegroutes vogels
Geen negatief effect
Hollands Diep HR en VR Toename stikstofdepositie leidt niet tot overschrijding KDW, er is nog veel ruimte tussen achtergrondwaarde en KDW
Geen negatief effect op vliegroutes vogels
Geen negatief effect
Huys ten Donck BN De natuurwaarden waarvoor het Beschermde Natuurmonument (buiten de Natura 2000-gebieden) is aangewezen, zijn niet stikstofgevoelig Geen negatief effect

Tabel 4: conclusie passende beoordeling Nieuw Reijerwaard

Conclusie

De uitkomsten van het onderzoek staan de realisatie van het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard niet in de weg. De commissie voor de milieueffectrapportage deelt de conclusies dat significante effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

7.9 Waterhuishouding

Beleidskader

Kaderrichtlijn Water

De kaderrichtlijn Water is een Europese richtlijn die tot doel heeft de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater te waarborgen en te verbeteren. Hiertoe hebben de waterbeheerders oppervlaktewaterlichamen moeten classificeren. Aan de classificatie hangt een maatregelenpakket om de kwaliteit te verbeteren.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Deze bestaat uit een samentrekking van de Wet op de waterhuishouding, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Wet verontreiniging zeewater, Grondwaterwet, Wet droogmakerijen en indijkingen, Wet op de waterkering, Wet beheer rijkswaterstaatswerken (natte deel), Waterstaatswet (natte deel) en de Regeling waterbodems uit de Wet bodembescherming. Alle wateraspecten waarvoor een vergunning nodig is kunnen in één watervergunning worden meegenomen.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat het bevoegd gezag en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. In dit kader is het Waterschap Hollandse Delta in een vroeg stadium bij de planvorming betrokken. De watertoets is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verankerd en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015

Het Provinciaal Waterplan bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor 2010-2015. Het vervangt het provinciaal waterbeleid zoals dat is vastgelegd in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Dit nieuwe plan vervangt het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. Verder voldoet het plan aan de eisen van de nieuwe Waterwet. De provincie vertaalt in dit plan het beleid uit het nationaal waterplan en het huidige Europese beleid naar provinciale kaders en doelstellingen voor de periode 2010-2015. Conform de herziene sturingsvisie water gaat het met name om de wat vraag. De waterschappen beantwoorden in hun waterbeheerplannen vervolgens vooral de hoe vraag. De vier kernopgaven zijn:

  1. Waarborgen waterveiligheid;
  2. Realiseren mooi en schoon water;
  3. Ontwikkelen duurzame (zoet)watervoorziening;
  4. Realiseren robuust & veerkrachtig watersysteem.

Waterbeheerplan Waterschap Hollandse Delta (2009 - 2015)

Waterschap Hollandse Delta heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2009-2015. In het waterbeheerplan geeft het waterschap onder andere aan wat de lange termijn doelstellingen voor het waterbeheer zijn en hoe hieraan invulling gegeven gaat worden. Het gaat hierbij om alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit (hoeveelheid), waterkwaliteit, waterkering (dijken) en waterketen (riolering en zuivering). Tevens wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt voor watergerelateerde thema's en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelstellingen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn ook onderdeel van het plan.

Keur

Om haar taken goed uit te kunnen voeren hebben hoogheemraadschappen en waterschappen een aantal regels opgesteld. Deze regels staan onder andere in de Keur.

De Keur bestaat in essentie uit verboden en geboden. Op alle verboden en geboden kan onder bepaalde voorwaarden door het dagelijks bestuur ontheffing (vergunning) worden verleend. Dit is de toestemming om een bepaalde activiteit of ingreep uit te voeren ondanks een algemeen 'verbod'. Het kan ook gaan om een (gedeeltelijke) ontheffing op een 'gebod', zoals de onderhoudsplicht. De keur staat naast het inpassingsplan.

Onderzoek

In het kader van onderhavig inpassingsplan is invulling gegeven aan de proces van de watertoets. In de bijlagen van het milieueffectrapport is een toelichting op de watertoets opgenomen.

Waterstructuur

Voor het versneld afvoeren van hemelwater als gevolg van aanbrengen van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door de aanleg van waterberging. Gezien de kleiige ondergrond is infiltratie van (hemel)water geen optie. De benodigde waterberging vindt dan ook grotendeels plaats middels open water en bijbehorende groene overgangszones. Hierbij valt te denken aan berging in natuurvriendelijke oevers maar ook op natuurlijke overstromingsvlaktes, die het grootste deel van het jaar droog zijn.

De insteek voor het toekomstige watersysteem is een compacte waterstructuur te realiseren bestaande uit een aantal brede watergangen/brede waterzones (zie figuur 30). Als basisstructuur geldt handhaving van de watergangen aan de randen van het plangebied en zorg dragen voor een gehele omranding van water van het plangebied voor de gewenste robuuste structuur die zorg draagt voor voldoende afvoercapaciteit naar de zones met grote waterpartijen, doorspoelbaar en goed bereikbaar voor varend onderhoud is. Hiervoor wordt een brede nieuwe watergang evenwijdig aan de Rijksstraatweg aangelegd in de groene zone en worden de watergangen langs de Krommeweg verbreed.

Langs de Verbindingsweg wordt een brede diagonale watergang aangelegd (Blauwe wig) in aansluiting op de bestaande watergang. Aan de Rijksstraatweg worden naast de watergang overstromingsvlaktes ingericht (groene zone). De aanvoer van water vanuit de Boezem voor de doorspoeling van het systeem zal plaatsvinden via de Blaakwetering in het zuiden van het plangebied (zie figuur 30).

Verder dient het toekomstig watersysteem zoveel mogelijk eenzijdig natuurvriendelijke oevers te bevatten en dienen de watergangen voldoende waterdiepte, rekening houdend met de aanwezige veenlagen, te bevatten. De bestaande waterstructuur aan de randen wordt ook versterkt. Daarnaast dient ruimte gereserveerd te worden voor het benodigde onderhoud. Op deze wijze kan een duurzaam en ecologisch gezond watersysteem gerealiseerd worden dat bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit.

verplicht

Figuur 30: Indicatie stedenbouwkundig ontwerp en toekomstige waterstructuur

Toekomstig waterpeil en drooglegging

Voor het toekomstige waterpeil worden de twee peilgebieden 26A en 26 B samengevoegd met het huidige gehanteerde zomerpeil van NAP -2,4 meter. Het waterschap heeft als aanvullende wens dat peilgebieden 26A en 26B aangesloten worden bij peilgebied 27A, omdat op deze manier één groot robuust peilgebied ontstaat en een relatief grote onderbemaling wordt opgeheven. Als gevolg van deze wens zal het waterpeil met maximaal 20 centimeter stijgen. Bij de verdere uitwerking van het plan worden de mogelijkheden en gevolgen van het samenvoegen van de peilgebieden meegenomen. Hierbij wordt onder andere het functioneren van de bestaande overstorten, de drooglegging voor bestaande structuren en de benodigde ophoging in relatie tot de grondbalans in ogenschouw genomen.

Voor het stedelijk gebied (in kleiige ondergrond) is het gebruikelijk uit te gaan van een drooglegging van 1,0 meter. Dit betekent dat het verschil tussen het hoogst te hanteren waterpeil en het maaiveld 1,0 meter bedraagt. Hiervoor dient in de toekomstige situatie mogelijkerwijs lokaal het maaiveld in zeer geringe mate opgehoogd te worden uitgaand van het zomerpeil van NAP -2,4 meter. Bij de verdere uitwerking van het plan (in het waterhuishoudingsplan) wordt bepaald waar en of het plangebied opgehoogd dient te worden. Dit hangt sterk af van de keuze voor het toekomstig waterpeil in het plangebied en de aanwezigheid van veen in de bodem van het plangebied.

Grondwater

Uitgaand van de eerste insteek om met de waterhuishouding aan te sluiten op de huidige gehanteerde oppervlaktewaterpeilen zijn geen veranderingen in het grondwatersysteem in dit kleiig gebied te verwachten.

Voor de toekomstige waterhuishouding worden geen ontgravingen dieper dan 2,5 meter uitgevoerd, waardoor voldaan wordt aan de eisen in de boringsvrije zone die voor een deel van het plangebied gelden.

Waterbergingsopgave

In de beleidsregels van het waterschap wordt voor de ontwikkeling van ruimtelijke plannen als richtlijn gesteld dat 10% van het bruto oppervlak van het plangebied voor water (op zomerpeil) moet worden gereserveerd. Hierbij dient de compenserende waterberging in het peilvak te worden gerealiseerd waar de toename van het verhard oppervlak wordt aangelegd. In overleg met de waterbeheerder kan afgeweken worden van dit standaard uitgangspunt onder voorwaarde dat specifieke berekeningen worden verricht.

Voor het inpassingsplan is de bergingsopgave van het plan berekend door middel van een spreadsheetberekening. Waterschap Hollandse Delta is akkoord met het hanteren van deze spreadsheetmethode voor het inpassingsplan. Bij deze berekeningen is het leidende uitgangspunt een maximale peilstijging van 0,25 meter bij een neerslagsituatie (+10%) van eens in de twee jaar in verband met negatieve overstorten voor de bestaande gemengde riooloverstorten. Indien aan dit uitgangspunt wordt voldaan, wordt eveneens voldaan aan de benodigde drooglegging van een neerslagsituatie van eens in de 10 jaar en treedt geen inundatie op bij een neerslagsituatie (+10%) van eens in de 100 jaar rekening (NBW-norm).

Met behulp van de spreadsheetberekening is berekend dat voor het stedenbouwkundig ontwerp van het bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard circa 11 hectare tot 11,5 hectare open water op zomer benodigd is ter compensatie van het verhard oppervlak. Deze waterberging moet binnen de nieuwe waterstructuur van het bedrijventerrein gerealiseerd worden. Het voorliggende stedenbouwkundig ontwerp en beschikbare ruimte voor het watersysteem en de groene zones waarin water geborgen kan worden voldoet hieraan. Met de mogelijkheid om in de groene zone langs de Rijksstraatweg meer oppervlaktewater te realiseren is flexibele ruimte binnen de stedenbouwkundige opzet beschikbaar om in alle gevallen te kunnen voldoen aan de waterbergingsvraag.

De ontsluiting van het plangebied (verkeersplein en aanliggende wegen/fietspaden) is deels gelegen in andere peilvakken aan de westzijde van de Rijksstraatweg. De compenserende waterberging als gevolg van toename verharding en het feit dat bestaande wateren aangesneden worden dienen dan ook in deze andere peilvakken gerealiseerd te worden. De toename van het verhard oppervlak als gevolg van de ontsluitingsweg en het verkeersplein is slechts beperkt (circa 230 m2 water op zomerpeil). Als gevolg van het ontwerp worden twee bestaande waterpartijen aangesneden, waardoor ook enkele honderden vierkante meters water verdwijnen. Het grootste deel van de benodigde compensatie is gelegen in een groot peilgebied.

Tijdens de nadere uitwerking van de verkeersontsluitingen worden in nader overleg met de waterbeheerder de exacte locaties voor de compensatie uitgewerkt. Mogelijkheden voor realisatie waterberging is de aanleg van natuurvriendelijke in directe aansluiting op bestaande watergangen of op een locatie extra wateroppervlak te realiseren zoals in het turboverkeersplein.

Bij de verdere uitwerkingen van het watersysteem, na de fase van het opstellen van het inpassingsplan, wordt het toekomstig watersysteem getoetst met een modelberekening in Sobek. Dit wordt vastgelegd in een waterhuishoudingsplan evenals andere nadere uitwerking, met als laatste fase het aanvragen van een watervergunning.

Riolering

In het plan vindt zo min mogelijk afvoer plaats van schoon hemelwater naar de RWZI door het streven naar zo volledig mogelijk afkoppelen van het verhard oppervlak, rekening houdend met de toekomstige waterkwaliteit. Op het toekomstige bedrijventerrein zal veel opslagbedrijvigheid met bijbehorende verkeersstromen plaatsvinden. Het wegennet zal relatief druk worden met vrachtverkeer. Daarnaast bestaat een groot deel van de verhardingen uit overslagterminals voor vrachtwagens. Gezien deze bedrijvigheid is het dan ook wenselijk in verband met de waterkwaliteit een verbeterd gescheiden rioolsysteem (VGS) aan te leggen voor de afvoer van de wegen en de verhardingen. Het water van daken kan rechtstreeks afwateren op watergangen dan wel op een gescheiden rioolsysteem (GS) indien geen uitlogende materialen en weekmakers gebruikt worden.

De afvoer van het huidige gemengde rioolsysteem, waarop onder andere de huizen langs de Rijksstraatweg afwateren, via overstorten binnen het plangebied blijft functioneel met de nieuwe waterhuishouding.

Waterkering

Voor de ontsluiting van het plan wordt de regionale waterkering langs de Rijksstraatweg gekruist. Aan het kruisen van waterkeringen zijn voorwaarden verbonden. De kruising van de waterkering wordt zodanig vormgegeven dat de kerende functie in stand wordt gehouden en voldoende betrouwbaar is. Deze kerende functie wordt gewaarborgd door tijdens de technische uitwerking van het ontwerp te voldoen aan de Leidraad Kunstwerken van waterschap Hollandse Delta. Dit betekent dat voor de kering rekening moet worden gehouden dat minimaal dezelfde kerende hoogte wordt gehandhaafd als in de huidige situatie aanwezig is. De voorlopige normhoogte is NAP +1,50 meter in overeenstemming met de huidige hoogte van de weg dat wil zeggen asfalthoogte.

Conclusie

Middels overleggen met het Waterschap Hollandse Delta over het toekomstige watersysteem, de omgang met de waterkeringen en de planmethodiek is invulling gegeven aan het proces van de watertoets. Op basis van de definitieve stedenbouwkundige invulling van het plangebied wordt het vervolgproces op weg naar definitieve ontwerpen en watervergunningen in nauwe samenspraak met het waterschap vormgegeven.

In het kader van het vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Bro heeft afstemming plaatsgevonden met Waterschap Hollandse Delta. De resultaten van het overleg zijn in de bij dit inpassingsplan horende nota van beantwoording Vooroverleg meegenomen. Het waterschap heeft geen opmerkingen gegeven met betrekking tot het watersysteem.

7.10 Kabels, leidingen en vrijwaringszones

Kabels en leidingen

Er bevinden zich enkele planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied.

Zo zijn er drie relevante gasleidingen in het plangebied aanwezig en ligt aan de Verbindingsweg een afsluiterlocatie. Een afsluiter is een essentiële voorziening binnen het grootschalig transport van aardgas per leiding. Op grond van het Bevb is een afsluiter een bij een buisleiding behorende voorziening.

Alle leidingen met bijbehorende zakelijk rechtstroken worden juridisch planologisch beschermd in voorliggend inpassingsplan.

Reservering buisleidingstrook

In de rijksstructuurvisie buisleidingen is ten oosten van het plangebied een reservering opgenomen voor een toekomstige nationale buisleidingstrook. Deze reservering ligt geheel buiten het plangebied. Gezien het plaatsgebonden risico bij dergelijke buisleidingstroken binnen de buisleidingstrook dient te vallen, ligt ook deze toekomstige risicozone buiten het plangebied. De reservering heeft geen gevolgen voor Nieuw Reijerwaard.

Vrijwaringszone Rijkswegen

Rijkswaterstaat hanteert langs autosnelwegen het zogenaamde rooilijnenbeleid. Het rooilijnenbeleid bestaat uit de volgende twee delen:

  • de bebouwingsvrije zone: het gebied tussen de 0 en 50 meter, gemeten vanuit de as van de dichtstbijzijnde rijbaan (hiertoe behoort ook een toe- of afrit);
  • de overlegzone: is het gebied tussen 50 en 100 meter, eveneens gemeten uit de as van de dichtstbijzijnde rijbaan (hiertoe behoort ook een toe- en afrit).

Het rooilijnenbeleid is ingevoerd met het oog op onder andere ruimte voor beheer en onderhoud, voor toekomstige uitbreidingen, leidingstroken, voor verkeersveiligheid en beperking milieuhygiënische hinder en voor externe veiligheid. De bouwplannen worden getoetst op onder andere geluidsoverlast, externe veiligheid, afleidende verlichting en reclame voor de weggebruiker.

Door de ligging van het plan nabij de Rijkswegen A15 en A16 is het rooilijnenbeleid van Rijkswaterstaat van toepassing. Onderhavig inpassingsplan staat geen bebouwing toe binnen 50 meter vanaf de as van de dichtstbijzijnde rijbanen van beide snelwegen.

In het kader van het vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Bro heeft afstemming plaatsgevonden met Rijkswaterstaat. De resultaten van het overleg zijn in de bij dit inpassingsplan horende nota van beantwoording Vooroverleg meegenomen.

7.11 Radar

Het plangebied valt binnen de zone waarvoor in het kader van het Barro voor het planologisch mogelijk maken van windturbines nader onderzoek naar verstoring van radarsystemen van defensie plaatst dient te vinden. Door TNO is een radarverstoringsberekening uitgevoerd voor de drie grootst mogelijk turbines binnen het plangebied. Er is geen sprake van verstoring boven de norm. Het onderzoek is bij het inpassingsplan opgenomen als bijlage bij de validatie op het MER bij de nota van beantwoording.

hoofdstuk 8 Juridische planopzet

8.1 Algemeen

Voorliggend inpassingsplan bestaat uit een geografische plaatsbepaling (verbeelding), regels en een toelichting. De geografische plaatsbepaling en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het inpassingsplan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Het inpassingsplan is opgesteld conform het (wettelijke) model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) versie 2008. Hierdoor is het plan geschikt voor interactieve uitwisseling via het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO) 2008.

De toelichting heeft in beginsel geen rechtskracht. Niettemin vormt zij een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het plan ten grondslag liggen. Daarbij is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het inpassingsplan.

8.2 Methodiek

In het inpassingsplan hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming toegewezen gekregen. Daarnaast komen op sommige gronden aanduidingen voor. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. Aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Aanduidingen hebben altijd juridische betekenis, die in de regels wordt gegeven.

8.3 Regels

Conform bovengenoemde landelijke standaard zijn de regels ondergebracht in vier hoofdstukken. Daarbij dient een vaste volgorde te worden aangehouden:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hierin worden de gebruikte begrippen en de wijze van meten uiteengezet, teneinde een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. Hier worden voor alle voorkomende bestemmingen en de bijbehorende regels uiteengezet.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Hierin staan de algemeen geldende regels, in aanvulling op de bestemmingsregels, welke voor meerdere of alle bestemmingen van toepassing zijn.
  • Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels. Hierin is het overgangsrecht geregeld alsmede de citeertitel en het vaststellingsdictum.

8.4 Bestemmingen

De regels volgen een éénduidige opbouw, conform SVBP2008. De regels voor de bestemmingen zijn in de regel als volgt opgebouwd en bevatten tenminste:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels.

In de bestemmingsomschrijving wordt aangegeven welke functies binnen de bestemming zijn toegelaten, en of gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en/of andere werken zijn toegelaten.

De bouwregels bevatten regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Het betreft meestal regels inzake de situering en inzake de (maximale) bouwhoogte.

Daarnaast komen in sommige bestemmingen één of meer van de volgende onderdelen voor:

  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijking van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

In het inpassingsplan is de bevoegdheid opgenomen om bij omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde normen. De uitvoering van het inpassingsplan berust bij het colleges van B&W van Ridderkerk en Barendrecht. Alle binnenplanse afwijkingsmogelijkheden liggen bij Burgemeester en Wethouders. Wijzigingsmogelijkheden liggen of bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland of bij Burgemeester en Wethouders van Ridderkerk en Barendrecht. Ondermeer dDe wijzigingsbevoegdheid voor het toestaan van andere bedrijvigheid dan agro- en foodgerelateerd ligt bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

8.5 Artikelsgewijze toelichting

8.5.1 Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van de regels.

Artikel 2: Wijze van meten

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. De regels inzake de wijze van meten voorkomen interpretatieverschillen bij de toepassing van de regels over maatvoeringen.

8.5.2 Bestemmingen

Artikel 3: Bedrijf - Nutsvoorziening

Voor het afsluiterschema, net ten noorden van de Verbindingsweg is de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' opgenomen.

Artikel 4: Bedrijventerrein

Het merendeel van het plangebied is voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein'. Binnen deze bestemming zijn bedrijven uit milieucategorie 3.1 tot en met 4.2 toegestaan.

Dit inpassingsplan maakt primair de vestiging van bedrijven uit de agrologistiek, voedings- en genotmiddelenindustrie en agro en foodgerelateerde bedrijvigheid mogelijk. Dit is bepaald in de bestemmingsomschrijving. Hoofdzakelijk bij de uitgifte van de gronden wordt rekening gehouden met het specifieke concept van Nieuw Reijerwaard. Naast deze specifieke bedrijven is een biovergistinginstallatie toegestaan op het bedrijventerrein.

Bebouwing mag uitsluitend worden opgericht binnen de opgenomen bouwvlakken, met uitzondering van overhangende bouwdelen. De hoogte van de gebouwen is opgenomen in de verbeelding (maximaal 10, 15, 20 danwel 30 meter). Aan de randen van het plangebied en aan de Verbindingsweg en de Voorweg gelden afwijkende bouwhoogteregels. Deze gebieden zijn met de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - 1 & 2' aangegeven. Gelet op de nabijheid van de woningen aan de Rijksstraatweg varieert de maximale bouwhoogte hier van 10 meter aan de meest westelijke bestemmingsgrens tot een hoogte van 20 meter. Aan de overige zijden varieert de maximale bouwhoogte van 15/20 meter tot 30 meter. Gebouwen mogen hier hoger zijn naarmate de afstand tot de rand van het bouwvlak groter wordt. De genoemde bouwhoogten zijn vast. Er zijn in het inpassingsplan géén flexibiliteitsmogelijkheden opgenomen om van deze bouwhoogten af te wijken.

Op het bedrijventerrein moet een afstand van 5 meter tot zijdelingse perceelgrenzen in acht worden genomen. Dit is een harde grens, gelet op de bedrijven die zich hier met een dergelijke bouwhoogte kunnen vestigen. Wel is een mogelijkheid opgenomen om aan één zijde van deze afstandsmaat af te kunnen wijken.

De bouwvlakken hebben een diepte van 200 tot 300 meter. Gelet op deze diepte is vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt een ruimte van 15 meter tussen de verschillende bedrijfspercelen gewenst voor reservering van een mogelijke extra ontsluitingsstructuur. Deze gronden zijn voorzien van de aanduiding 'specifiek bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing'. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om hiervan af te wijken als een gebouw wordt gebouwd over de gehele diepte van het bouwvlak.

In het (noordwestelijke) verlengde van de Voorweg is een fietspad voorzien. Deze mag overbouwd worden. Hiervoor is een aanduiding 'onderdoorgang' opgenomen.

In de bestemming is ten zuiden van de Verbindingsweg op een drietal locaties de aanduiding 'windturbine' opgenomen. Per aanduiding is één windturbine toegestaan met een hoogte van maximaal 150 meter.

Artikel 5: Gemengd

Voor de boerderij aan de Voorweg 2 is een gemengde bestemming opgenomen. Deze - nu nog - agrarische bedrijfswoning is een rijksmonument en is ingepast in het stedenbouwkundig plan.

Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn verschillende functies toegestaan teneinde het rijksmonument te behouden. Voor de bouwmogelijkheden is aangesloten bij de geldende bouwmogelijkheden.

Artikel 6: Groen

Voor de zone tussen de Rijksstraatweg en het bedrijventerrein en aan de randen van het plangebied is de bestemming 'Groen' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen en fiets- en wandelpaden toegestaan en is tevens de aanleg van water mogelijk.

In de groenzone langs de Rijksstraatweg is de aanduiding 'water' opgenomen. Deze gronden zijn tevens bestemd voor de hoofdwaterstructuur.

Ten noorden van de horecavestiging aan de Verbindingsweg is een fietspad voorzien richting Ridderkerk. Deze is mogelijk binnen de bestemming 'Groen'.

Artikel 7: Horeca

Voor het hotel en conferentiecentrum is de bestemming 'Horeca' opgenomen. Voor de gebruiks- en bouwmogelijkheden is aangesloten bij de geldende mogelijkheden

Artikel 8: Verkeer

Voor het turboverkeersplein, de Verbindingsweg, de Voorweg en de interne ontsluitingsstructuur is de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Op de verbeelding zijn dwarsprofielen opgenomen. Om het aantal rijstroken voor het turboverkeersplein te regelen is hiervoor de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - maximum aantal rijstroken' opgenomen.

Artikel 9: Water

De hoofdwatergangen, de blauwe wig parallel aan de Verbindingsweg en een deel van de overgangszone aan de Rijksstraatweg zijn voorzien van de bestemming 'Water'. De onderhoudsstroken zijn eveneens opgenomen binnen deze bestemming ofwel binnen de bestemming 'Verkeer'.

In de waterstructuur aan de Verbindingsweg is de mogelijkheid opgenomen om overhangende bouwdelen toe te staan. Onder deze bouwdelen dient een minimale vrije ruimte te zijn van 8 meter. De bouwdelen mogen hier maximaal 30 meter hoog zijn. Dit met uitzondering van ondersteunende bouwdelen. Op meerdere locaties in de watergang is deze aanduiding opgenomen.

Artikel 10: Leiding - Gas

In het plangebied liggen enkele transportleidingen die planologisch relevant zijn. Het betreft enkele gasleidingen. Om de belangen van deze leidingen te regelen zijn voor de leidingen inclusief de bijbehorende zakelijk rechtstroken dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bestemmingen zijn primair ten opzichte van de andere daar voorkomende bestemmingen.

Artikel 11: Waarde - Archeologie

Voor het hele plangebied is deze dubbelbestemming opgenomen, waarmee de mogelijk voorkomende archeologische waarden worden beschermd.

Artikel 12: Waterstaat - Waterkering

Voor de waterkering (inclusief beschermingszones) in het plangebied is deze dubbelbestemming opgenomen. Deze dubbelbestemming regelt het belang van de waterkering. Bouwen en/of werkzaamheden zijn uitsluitend mogelijk na instemming van het Waterschap.

8.5.3 Algemene regels

Artikel 13: Anti dubbeltelregel

De anti dubbeltelregel voorkomt dat dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking mogen worden genomen bij het verlenen van (verschillende) omgevingsvergunningen voor het bouwen, waardoor bebouwingsmogelijkheden onbedoeld kunnen worden verruimd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Artikel 14: Algemene gebruiksregels

Rondom de drie locaties voor windturbines is de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' opgenomen. Binnen deze aanduiding mag niet worden gebouwd voor de andere daar voorkomende bestemmingen en de bij de turbine behorende veiligheidscontour (pr 10-5) dient binnen deze aanduiding te zijn gelegen.

Artikel 15: Algemene bouwregels

In dit artikel zijn regels omtrent het ondergronds bouwen, bouwdelen buiten bouw- c.q. bestemmingsgrenzen, parkeernormen en bebouwingsvrije zones langs de rijkswegen geregeld.

Artikel 16: Algemene afwijkingsregels

De algemene afwijkingsregels bevatten bevoegdheden voor het bevoegd gezag om afwijking te verlenen van de regels van het plan ten behoeve van afwijkingen van ondergeschikte aard.

Artikel 17: Algemene wijzigingsregels

De algemene wijzigingsregels bevatten bevoegdheden voor het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders) om de bestemmingen binnen het plan gedeeltelijk te wijzigen. Daarbij het gaat het als eerste om afwijkingen van bestemmingsgrenzen in algemene zin, tot maximaal 10%, indien de situatie in het veld niet geheel overeenkomt met die op de verbeelding.

Verder is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bouwen boven de wegenstructuur mogelijk te maken. Dit voor logistieke verbindingen tussen de verschillende bedrijven.

8.5.4 Overgangs- en slotregels

Artikel 18: Overgangsrecht

Het overgangsrecht is van toepassing op bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of dit strijdige gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wro.

Artikel 19: Slotregel

De slotregel geeft aan hoe de regels van het plan worden aangehaald. De slotregel wordt gevolgd door het vaststellingsdictum. Het vastgestelde plan wordt ondertekend door de voorzitter van Provinciale Staten, alsmede door de griffier.

hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid

Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 van de Wro dient in het kader van een inpassingsplan onder andere inzicht te worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan binnen de wettelijke planperiode van tien jaar.

9.1 Financiering Nieuw Reijerwaard

Op basis van de overeenkomst van 2009 is er een sluitende grondexploitatie gemaakt. Hierin zijn onder andere de kosten voor grondverwerking, bouwrijp maken, infrastructuur en planschade uitgezet tegen de opbrengsten. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het inpassingsplan economisch uitvoerbaar is.

9.2 Verwerving

Om Nieuw Reijerwaard fysiek aan te kunnen leggen, dient de gemeenschappelijke regeling de beschikking te hebben over de gronden. Inmiddels is een groot deel van de gronden in bezit van de gemeenschappelijke regeling. Getracht wordt om de overige gronden middels minnelijke verwerving in eigendom te krijgen.

Voor een deel van het plangebied is de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing. Met ingang van 2 juli 2012 is de provincie Zuid-Holland gerechtigde tot dat voorkeursrecht. Bij tijdige vaststelling van het inpassingsplan zal dit voorkeursrecht van rechtswege worden verlengd.

De verwerving van de gronden is voor rekening van de opgerichte gemeenschappelijke regeling. De verwerving is gericht op de uitvoering van het inpassingsplan.

Als het niet mogelijk is om de percelen die nodig zijn voor de uitvoering van het in het inpassingsplan voorgestane beleid minnelijk te verwerven en als gebleken is van voldoende noodzaak en urgentie om tijdig over de betreffende gronden te beschikken voor de uitvoering van het inpassingsplan, bestaat de mogelijkheid om over te gaan tot onteigening. Hierbij worden de wettelijke procedures in acht genomen.

9.3 Exploitatieplan

Met de inwerkingtreding van de Wro is ook de daar onderdeel van uitmakende Grondexploitatiewet in werking getreden. Op grond van artikel 6.12 Wro is het verplicht om voor het inpassingsplan een exploitatieplan op te stellen. Tegelijk met het vaststellen van dit inpassingspan wordt ook het exploitatieplan vastgesteld.

hoofdstuk 10 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

10.1 Advisering gemeenteraden ex art 3.26 lid 1 Wro

De raden van de gemeenten Ridderkerk en Barendrecht zijn overeenkomstig artikel 3.26 lid 1 van de Wro en het procesconvenant tussen de provincie en de Vereniging Zuid-Hollandse Gemeenten in de gelegenheid gesteld te adviseren over het concept ontwerpinpassingsplan. De resultaten zijn opgenomen in de Nota van beantwoording Vooroverleg.

10.2 Vooroverleg ex 3.1.1 Bro

Conform artikel 3.1.1 van het Bro heeft Gedeputeerde Staten bij de voorbereiding van voorliggend inpassingsplan Nieuw Reijerwaard overleg gevoerd met betrokken rijksdiensten en gemeenten, met de waterbeheerders en met andere gemeenten van wie belangen in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg is een reactie ontvangen van Stadsregio Rotterdam, Rijkswaterstaat, het Waterschap Hollandse Delta en de Nederlandse Gasunie. De resultaten zijn opgenomen in de Nota van beantwoording Vooroverleg.

Voor Nieuw Reijerwaard is een m.e.r.-procedure doorlopen. Parallel met het vooroverleg op basis van concept ontwerpinpassingsplan is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau ter inzage gelegd. In die notitie is aangegeven wat in het kader van de m.e.r. onderzocht diende te worden.

10.3 Zienswijzen

Op basis van het vooroverleg en de zienswijzen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau is het milieueffectrapport opgesteld dat samen met het ontwerpinpassingsplan en het ontwerpexploitatieplan ter visie is gelegd in de periode van 16 november 2012 tot en met 27 december 2012. De in die periode ingediende zienswijzen zijn opgenomen in de Nota van beantwoording en wijziging ontwerpinpassingsplan, milieueffectrapport en ontwerpexploitatieplan. In deze nota zijn ook de reactie van de commissie-m.e.r., wijzigingen van het plan ten gevolge van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen opgenomen.

Op 22 mei 2013 is de Statencommissie Ruimte en Leefomgeving op werkbezoek geweest naar het gebied en heeft de hoorzitting plaatsgevonden. De Statencommissie heeft de voordracht op 5 juni 2013 behandeld. De voordracht is op enkele punten gewijzigd. Deze wijzigingen zijn opgenomen in de bovengenoemde Nota van beantwoording en wijziging ontwerpinpassingsplan, milieueffectrapport en ontwerpexploitatieplan.

Bijlagen bij toelichting

bijlage 30 20141112_verkeer

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het inpassingsplan Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard met identificatienummer NL.IMRO.9928.DOSx2011x0000029GC-0002 van de provincie Zuid-Holland;

1.2 inpassingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarop een aanduiding betrekking heeft.

1.6 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.7 afgewerkt bouwterrein:

de gemiddelde hoogte van de gebouwen en andere bouwwerken omringende grond: bij hellende terreinen: het hoogste punt van de gebouwen en andere bouwwerken omringende grond.

1.8 agrologistiek:

bedrijvigheid waarvan de hoofdactiviteit betrekking heeft op (geconditioneerd) opslaan en/of labellen en/of prijzen en/of ompakken en/of distributie van producten afkomstig van bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en/of agrarische bedrijven.

1.9 agro- en foodgerelateerde bedrijven:

bedrijvigheid waarvan de hoofdactiviteit betrekking heeft op het toevoegen of ontlenen van waarde aan producten, afkomstig van bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en/of agrarische bedrijven, niet zijnde agrologistiek.

1.10 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.11 ander werk:

een werk, geen bouwwerk zijnde.

1.12 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

1.13 bebouwingsgrens:

de op de kaart, blijkens de daarop voorkomende verklaring, als zodanig aangegeven lijn, die door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze regels zijn toegestaan.

1.14 bebouwingspercentage:

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.15 bedrijf:

een onderneming waarbij de bedrijfsactiviteiten gericht zijn op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

1.16 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten.

1.17 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.18 beperkt kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatsblad 2004, nr. 250) een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.

1.19 bestaand (in relatie tot bebouwing):

bebouwing aanwezig ten tijde van het terinzagelegging van van het ontwerpinpassingsplan.

1.20 bestaand (in relatie tot gebruik):

gebruik dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het inpassingsplan.

1.21 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.22 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.23 bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

1.24 be- en verwerking:

het van vorm of samenstelling veranderen van een product en/of het toevoegen van een ander product, hieronder wordt eveneens begrepen diepvriezen, verpakken, sorteren en wassen.

1.25 be- en verwerkende agrologistiek:

bedrijvigheid waarvan de hoofdactiviteit betrekking heeft op be- en verwerkingsactiviteiten van producten afkomstig van bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en/of agrarische bedrijven in combinatie met distributie. Hieronder wordt niet begrepen bedrijvigheid als bedoeld onder 1.8 "agrologistiek".

1.26 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.27 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.28 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.29 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.30 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten.

1.31 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.32 doeleinden van openbaar nut:

kleinschalige nutsvoorzieningen, zoals transformatorhuisjes en schakelkastjes, ondergrondse lokale leidingen, tele- en datacommunicatieleidingen, riolering, telefooncellen en wachthuisjes, straatvoorzieningen (onder andere voor afvalstoffen).

1.33 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.34 hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.35 horecabedrijf:

een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken;
  • het exploiteren van zaalaccommodatie;
  • het verstrekken van nachtverblijf.

1.36 kwetsbaar object:

object zoals bedoel in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.37 ompakken:

het vervangen van reeds aanwezige consumentenverpakking en/of distributie zonder enige andere handeling aan de consumentenverpakking te verrichten dan labellen of prijzen.

1.38 overkapping:

een ander bouwwerk voorzien van een gesloten dak.

1.39 perceelsgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.40 risicovolle inrichting:

een inrichting bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

1.41 hotel:

een accommodatie waarin logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden, kleine etenswaren en dranken worden verstrekt aan gasten.

1.42 restaurant:

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken;

1.43 seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.44 Staat van Bedrijfsactiviteiten:

de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering zoals de lijst is opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten deeluitmakende van deze regels.

1.45 verpakken:

toevoegen van een consumentenverpakking aan een product.

1.46 voedings- en genotmiddelenindustrie:

een bedrijfsmatige activiteit die gericht is op vleesverwerking, visverwerking, groente- en fruitverwerking en/of gericht is op het vervaardigen, bewerken of verwerken van plantaardige en dierlijke oliën en vetten, zuivelproducten, meel, diervoeders, suiker, overige voedingsmiddelen/-supplementen, dranken en/of tabak.

1.47 weg:

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

1.48 Wro:

de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand:

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een ander bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals liftkokers, glazenwasinstallaties, schoorstenen, antennes, collectieve energievoorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan het uiteinde of tip van de rotor in de hoogste stand;

2.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.7 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen;

2.8 peil:

  1. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
  2. voor andere gebouwen en andere bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

2.9 vloeroppervlakte:

de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een afsluiterschema;
  2. ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren;
  3. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen, paden, parkeervoorzieningen, lichtvoorzieningen, erf- en terreinafscheidingen en groen.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Toegestane bouwwerken:

Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht.

3.2.2 Bouwregels:

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. deze uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  2. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  3. de bouwhoogte van schoorstenen ten behoeve van een afsluiterschema mag niet meer bedragen dan 30 meter.

Artikel 4 Bedrijventerrein

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorie 3.1 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.1';
  2. agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3.1 en 3.2 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2';
  3. agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3.1, 3.2 en 4.1 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 4.1';
  4. [ Vervallen ];
  5. aan de hoofdactiviteit ondergeschikte kantoorfuncties tot maximaal 50% van het bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 3.000 m2 per bedrijf zoals genoemd onder a. tot en met c.;
  6. glastuinbouwbedrijven, uitsluitend op de verdiepingen van de onder a. tot en met c. bedoelde bedrijven;
  7. een bedrijfsactiviteit voor de productie van energie uit de vergisting, verbranding en/of vergassing van biomassa, inclusief bijbehorende voorzieningen, in de milieucategorie 3.2 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2' of 'bedrijf van categorie 4.1';
  8. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine': uitsluitend een bedrijfsactiviteit voor de productie van energie uit wind, inclusief bijbehorende voorzieningen;
  9. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen collectieve energievoorzieningen;
  10. verkeersvoorzieningen in de zin van interne ontsluitingswegen met bijbehorende bermen, fietspaden en taluds;
  11. geluidwerende voorzieningen;
  12. groenvoorzieningen;
  13. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen;
  14. (collectieve) parkeervoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'parkeren uitgesloten': collectieve parkeervoorzieningen in de vorm van een (openbare) vrachtwagenparkeerplaats niet is toegestaan;
  15. een motorbrandstofverkooppunt zonder LPG, uitsluitend ter plaatse van een (openbare) vrachtwagenparkeerplaats.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht.

4.2.2 Bouwregels

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. deze uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde in onder i.;
  2. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. de afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 meter;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' geldt dat vanaf peil tot een hoogte van 8 meter geen bebouwing mag worden opgericht, behoudens de voor hogere opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' mag in afwijking op het bepaalde onder c. de bouwhoogte oplopen tot een hoogte van 20 meter, met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte + 2/5 van de afstand tot de grens met de bestemming 'Groen';
  7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' mag in afwijking op het bepaalde onder c. de bouwhoogte oplopen tot een hoogte van 30 meter, met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte + 1/3 van de afstand tot de grens met de bestemming 'Verkeer' danwel met de bestemming 'Water';
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing' zijn geen gebouwen toegestaan;
  9. gebouwen zijn buiten het bouwvlak toegestaan, mits:
    1. sprake is van representatieve bebouwing in de vorm van bijbehorende kantoorruimten en ondersteunende functies;
    2. sprake is van een overbouwing, waarbij vanaf peil tot een hoogte van 5,5 meter geen bebouwing mag worden opgericht, behoudens de voor hogere opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies, zoals kolommen, toegangspartijen, trappen, liften en dergelijke;
    3. de oppervlakte van de ondersteuningsconstructies niet meer bedraagt dan 75 m2;
    4. de afstand van de bebouwing tot de voorste perceelsgrens niet minder bedraagt dan 10 meter;
    5. de afstand van de bebouwing tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 10 meter, met uitzondering van percelen op de hoeken van het bouwvlak waar de overbouwing tot aan (het verlengde van) het bouwvlak mag worden gebouwd;

Voor andere bouwwerken, niet zijnde windturbines, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 3 meter en elders niet meer dan 8 meter;
  2. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  3. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 40 meter.

Voor windturbines gelden de volgende regels:

  1. maximaal 1 windturbine mag worden opgericht binnen de aanduiding 'windturbine';
  2. de hoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 150 meter.

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen stellen aan de situering en afmetingen van de toegelaten bebouwing, een en ander ten behoeve van:

  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. de sociale veiligheid;
  4. de externe veiligheid in relatie tot omgevingsvergunningen voor een ammoniakkoelinstallatie binnen 180 meter van een windturbine;

alsmede ten behoeve van de brandwerendheid van de gevel binnen een afstand van 37 meter van het gasafblaaspunt in de bestemming 'Bedrijf – Nutsvoorziening'.

4.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  1. lid 4.2.2 onder d. en toestaan dat gebouwen aan één zijde op een kleinere afstand dan 5 meter van de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd;
  2. lid 4.2.2 onder h. teneinde gebouwen toe te staan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing'.

4.5 Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Aanpassing IJsselmondse Knoop

Tot het moment waarop het plandeel met de bestemming Verkeer, als bedoeld in artikel 2.1 van de regels, op de IJsselmondse Knoop is aangepast ten behoeve van aan adequate ontsluiting van het plangebied dient bij de verlening van een omgevingsvergunning te worden zeker gesteld dat niet meer dan 40 procent van het plandeel ten behoeve van de bestemming in gebruik wordt genomen.

4.5.2 Gebruik

Parkeren, laad- en losplaatsen, dienen plaats te vinden op eigen terrein en/of op (een) door bedrijven gezamenlijk ingericht(e) parkeerterrein(en). Voor het bepalen van de parkeernorm wordt gebruik gemaakt van de parkeernormen van het CROW (publicatie 182 "Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering, 3e gewijzigde druk, september 2008).

4.5.3 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van gronden en opstallen voor de uitoefening van een risicovolle inrichting, met uitzondering van koelinstallaties (ammoniakopslag), met dien verstande dat de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico is gelegen binnen de grens van die Bevi-inrichting, dan wel binnen aangrenzende gronden met een groen- of verkeersbestemming;
  2. het gebruik van gronden en opstallen voor een Wet geluidhinder-inrichting;
  3. het gebruik van gronden en opstallen voor de uitoefening van enige tak van detailhandelsdoeleinden, met uitzondering van de verkoop in het klein als niet zelfstandig onderdeel van het betreffende bedrijf, mits dit beperkt blijft tot op het eigen bedrijf geproduceerde of bewerkte producten, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak maximaal 100 m² mag bedragen;
  4. het gebruik van gronden en opstallen voor horeca, behoudens ondergeschikte kantine-activiteiten;
  5. het gebruik van gronden voor activiteiten die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit m.e.r. die m.e.r-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, tenzij deze activiteiten in de regels nadrukkelijk zijn toegestaan.

4.5.4 Afwijken van gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  1. [ Vervallen ];
  2. lid 4.1 onder a. tot en met c. teneinde agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie toe te staan die één categorie lager zijn dan de reeds toegelaten milieucategorie bedrijven, onder de volgende voorwaarden:
    1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
    2. er treedt geen strijdigheid optreedt met de specifieke gebruiksregels opgenomen in lid 4.5.3;
  3. lid 4.1 teneinde toe te staan:
    1. kennis-, informatie- en onderzoeksinstellingen, laboratoria en een bedrijfsverzamelgebouw, mits deze ten dienste staan van de agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en de agrarische sector;
    2. serviceverlenende bedrijven gelieerd aan de binnen het plangebied gevestigde bedrijven;
    3. een restaurant;

onder de volgende voorwaarden:

  • deze bedrijven vormen geen beperking voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de overige bedrijven in het plangebied;
  • er bestaan geen bezwaren vanuit het aspect externe veiligheid;
  • het bruto vloeroppervlak per restaurant bedraagt niet meer dan 1.000 m2.

Artikel 5 Gemengd

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een woning;
  2. bedrijfsmatige activiteiten in de milieucategorie 1 en 2 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  3. maatschappelijke voorzieningen;
  4. recreatieve voorzieningen;
  5. horecavoorzieningen;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': ter bescherming en behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

5.2.2 Bouwregels

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' is aangegeven;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%) is aangegeven;

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van andere bouwwerken, waaronder terrein- en erfafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen;
  2. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen;
  3. verkeersvoorzieningen in de vorm van wandel- en fietspaden alsmede bruggen voor het langzaam verkeer;
  4. extensief recreatief medegebruik;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'water': voor hoofdwatergangen.

6.2 Bouwregels

6.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

6.2.2 Bouwregels

De bouwhoogte van in lid 6.2.1 bedoelde bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Artikel 7 Horeca

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een hotel- annex horecabedrijf met de daarbij behorende voorzieningen;

alsmede voor:

  1. (ontsluitings)wegen en andere verhardingen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': ter bescherming en behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen.

7.2 Bouwregels

7.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

7.2.2 Bouwregels

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%) is aangegeven;
  4. één parkeerdek mag worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 4.500 m2 en een maximale hoogte van 6 meter.

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van andere bouwwerken, waaronder terrein- en erfafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. één reclame-uiting is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 5 meter bovenop de geldende bouwhoogte van de gebouwen.

Artikel 8 Verkeer

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. verkeersdoeleinden in de vorm van hoofdverbindingen met de daarbij behorende voorzieningen voor het langzaam verkeer en de ten behoeve van de verkeersdoeleinden benodigde bouwwerken en andere voorzieningen;
  2. geluidwerende voorzieningen;
  3. (collectieve) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen.

8.2 Bouwregels

8.2.1 Toegestane bouwwerken:

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

8.2.2 Bouwregels

De bouwhoogte van de in lid 8.1 bedoelde bouwwerken, anders dan ten behoeve van de verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en vervoer te water mag niet meer bedragen dan 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen niet meer mag bedragen dan 6 meter.

8.3 Specifieke gebruiksregels

8.3.1 Rijstroken

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden zijn wegen toegestaan met niet meer dan 2 rijstroken, met uitzondering van parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - maximum aantal rijstroken' de maximaal aangegeven rijstroken zijn toegestaan.

8.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het inrichten van de gronden in afwijking van de aangegeven dwarsprofielen en het maximum aantal rijstroken.

8.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.3 en toestaan dat van de aangegeven dwarsprofielen en het maximum aantal rijstroken wordt afgeweken:

  1. indien en voor zover uit overleg met de wegbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van het wegbeheer, de verkeersveiligheid daaronder begrepen, geen bezwaar bestaat;
  2. indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Wet geluidhinder.

Artikel 9 Water

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. water en waterstaatkundige voorzieningen;
  2. bermen, groenvoorzieningen, kunstwerken en kademuren;

alsmede voor:

  1. bruggen voor het langzaam verkeer;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overhangende bouwdelen': overhangende bouwdelen (inclusief ondersteunende bouwconstructies) van de op de aangrenzende bestemming 'Bedrijventerrein' toegestane gebouwen.

9.2 Bouwregels

9.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 9.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waaronder begrepen:

  1. waterstaatkundige voorzieningen, zoals peilregulerende kunstwerken;
  2. andere bouwwerken ten dienste van kruisende verkeersbestemmingen, zoals bruggen en duikers;
  3. bruggen;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overhangende bouwdelen': gebouwen.

9.2.2 Bouwregels

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van andere bouwwerken, waaronder waterstaatkundige voorzieningen en bruggen, mag niet meer bedragen dan 5 meter.

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen uitsluitend zijn toegestaan in de vorm van overhangende bouwdelen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 20 meter, met dien verstande dat de hoogte van de bebouwingvrije ruimte onder de overhangende bouwdelen niet minder mag bedragen dan 8 meter (met uitzondering van ondersteunende bouwcontructies);
  3. het bebouwingspercentage van het aanduidingsvlak mag niet meer bedragen dan 30.

Artikel 10 Leiding - Gas

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en instandhouding, het gebruik en het onderhoud van een aardgastransportleiding.

10.2 Bouwregels

Op de in lid 10.1 bedoelde gronden zijn geen bouwwerken toegestaan, anders dan ten behoeve van het bepaalde in lid 10.1, behoudens bestaande bouwwerken.

10.3 Afwijken van de bouwregels

  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 10.2, voor het toestaan van bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen.
  2. De bouwwerken als bedoeld onder a. zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de aardgastransportleiding niet wordt geschaad;
  3. Alvorens af te wijken vraagt het bevoegd gezag advies aan de beheerder van de gasleiding.

10.4 Specifieke gebruiksregels

Binnen de bestemming zijn geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan, behoudens bestaande objecten.

10.5 Afwijken van de gebruiksregels

  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 10.4, voor het toestaan van een beperkt kwetsbaar object, mits de noodzaak van de aanwezigheid van een beperkt kwetsbaar object binnen de contour van het plaatsgebonden risico gemotiveerd kan worden, alsmede een verantwoording wordt gegeven van het groepsrisico.
  2. Alvorens af te wijken vraagt het bevoegd gezag advies aan de beheerder van de gasleiding.

10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden op of in de in deze bestemming bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van bevoegd gezag de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van een drainage, ontginnen en het ophogen van gronden;
    2. het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    3. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand;
    4. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
    5. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    6. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
    7. het permanent opslaan van goederen;
    8. het aanleggen, vergraven, verruimten of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
  2. Het onder a. vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
    1. het normale onderhoud en beheer betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
    3. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.
  3. Alvorens omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te verlenen vragen Burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de gasleiding.

Artikel 11 Waarde - Archeologie

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en-of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

11.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de regel dat bouwwerken, anders dan ten behoeve van uit te voeren archeologisch onderzoek volgens de normen van de archeologische beroepsgroep, niet zijn toegestaan.

11.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 met inachtneming van de volgende regels:

  1. Omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen.
  2. De bouwwerken als bedoeld onder a. zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de in lid 11.1 genoemde doeleinden ontstaat.
  3. Burgemeester en wethouders kunnen, ter beoordeling van het bepaalde onder b., de aanvrager van de afwijking verplichten een onderzoeksrapportage te overleggen waarin wordt aangetoond dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt.

11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. Het is verboden op of in de in deze bestemming bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe in elk geval wordt gerekend het afgegraven, ontginnen, woelen, mengen en diepploegen alsmede het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, indien en voor zover de bedoelde grondwerkzaamheden worden uitgevoerd op een diepte beneden maaiveld vanaf 0,5 meter;
    2. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm;
    3. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand;
  2. het onder a. vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
    1. het normale onderhoud en beheer betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
    3. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.

Artikel 12 Waterstaat - Waterkering

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering met de daarbij behorende bouwwerken en andere werken.

12.2 Bouwregels

Op de in lid 12.1 bedoelde gronden mogen:

  1. uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de hoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  2. geen andere bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd.

12.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 12.2 onder b. ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:

  1. de waterstaatsbelangen dit toelaten;
  2. advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

12.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van Burgemeester en wethouders binnen de in lid 12.1 bedoelde bestemming de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

  1. het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen;
  2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven dan wel indrijven van voorwerpen;
  3. het uitvoeren van grondwerkzaamheden;
  4. het aanbrengen van oppervlakteverharding.

12.4.2 Uitzondering op verbod

Het bepaalde in lid 12.4.1 is niet van toepassing op het uitvoeren van werken en werkzaamheden:

  1. in het kader van het onderhoud of beheer van de waterkering;
  2. van geringe omvang of gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering;
  3. van niet ingrijpende betekenis.

12.4.3 Voorwaarden op omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien door de werken en werkzaamheden geen schade kan ontstaan aan de waterkering.

12.4.4 Advies

In het kader van de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt door Burgemeester en wethouders schriftelijk advies ingewonnen bij de waterbeheerder.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 veiligheidszone - windturbine

14.1.1 Aanduidingsomschrijving:

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het werk- en leefklimaat in verband met een windturbine.

14.1.2 Bouwregels:

In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen mogen geen gebouwen worden gebouwd.

14.1.3 Specifieke gebruiksregel:

De contour van het plaatsgebonden risico (10 -5) van een windturbine mag niet buiten de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' liggen.

Artikel 15 Algemene bouwregels

15.1 Ondergronds bouwen

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

15.2 Bouwdelen buiten bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelsieringen, gevel- en kroonlijsten, liftkokers, glazenwasinstallaties, collectieve energievoorzieningen, ventilatiekanalen, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits:

  1. de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 meter bedraagt;
  2. de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet plaatsvindt boven openbare ruimten.

15.3 Parkeernormen

Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen in gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie, inclusief parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers. Voor het bepalen van de parkeernorm wordt gebruik gemaakt van de parkeernormen van het CROW (publicatie 182 "Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering, 3e gewijzigde druk, september 2008).

15.4 vrijwaringszone - weg

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' is het niet toegestaan om te bouwen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de infrastructurele voorziening alsmede voor doeleinden van openbaar nut zoals bedoeld in artikel 1.32.

Artikel 16 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de hoogtematen van gebouwen anders dan bepaald in artikel 16 onder f.;
  2. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  3. de bestemmingsregels voor het bouwen teneinde een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bestemmingsgrenzen toe te staan dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt;
  4. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van andere bouwwerken en toestaan dat de hoogte van andere bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter;
  5. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van andere bouwwerken en toestaan dat de hoogte van andere bouwwerken ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter;
  6. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen wordt vergroot, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en collectieve energievoorzieningen, mits:
    1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% bedraagt van de oppervlakte van het bouwwerk tot een maximum van 100 m2;
    2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt;

mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de milieusituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden;

van de aangrenzende gronden.

Artikel 17 Algemene wijzigingsregels

17.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

  1. het oprichten van gebouwen ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van ten hoogste 150 m3 en een goothoogte van ten hoogste 4 meter, zulks voor zover deze op grond van het bepaalde in artikel 16 (Algemene afwijkingsregels) niet kunnen worden gebouwd;
  2. een afwijking ten aanzien van de voorgeschreven bouwhoogtescheidingslijnen, bouwhoogte van andere bouwwerken, grondoppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanduidingen, eventueel met een overschrijding van de bouwgrenzen, mits deze afwijkingen niet meer bedraagt dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;
  3. een vanuit het oogpunt van doelmatig gebruik noodzakelijke afwijking ten aanzien van de voorgeschreven bouwhoogtescheidingslijnen, bouwhoogte van andere bouwwerken, grondoppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met een overschrijding van de bouwgrens of de bestemmingsgrens, mits deze afwijkingen meer bedragen dan 10% maar minder dan 20% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages.

17.2 [ Vervalllen ]

17.3 Wijziging bedrijventerrein - horeca

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen teneinde de bestemming 'Bedrijventerrein' ter plaatse van de aanduiding ''wetgevingzone - wijzigingsgebied-1' te wijzigen in de bestemming 'Horeca', met dien verstande dat:

  1. de bouwregels niet wijzigen ten opzichte van de bestemming 'Bedrijventerrein';
  2. voorzien dient te worden in een toereikende (calamiteiten)ontsluiting;
  3. bij de onderbouwing van de wijzigingsbevoegdheid de verantwoording van het groepsrisico wordt ingevuld conform artikel 13 van het Bevi.

17.4 Wijziging - bouwen boven verkeer

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen teneinde bebouwing ten behoeve van logistieke verbindingen/ ontsluitingen toe te staan boven gronden met de bestemming 'Verkeer' alsmede boven gronden zonder bouwvlak in de bestemming 'Bedrijventerrein', met dien verstande dat geen bebouwing is toegestaan vanaf peil tot een hoogte van 8 meter, behoudens de voor hogere opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies.

17.5 Wijziging - archeologie

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de grens van de bestemming 'Waarde - Archeologie' te wijzigen indien en voor zover op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld.

17.6 [ Vervallen ]

17.7 Wijziging - bedrijventerrein

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen teneinde de bestemming 'Groen' ter hoogte van de Rijksstraatweg te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein' mits een afstand van ten minste 100 meter wordt aangehouden van de bestemming 'Bedrijventerrein' tot woonpercelen en een afstand van ten minste 20 meter van de bestemming 'Bedrijventerrein' tot de plangrens.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

18.2 Afwijking

Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 18.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 18.1 met maximaal 10%.

18.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 18.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 18.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 18.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 18.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 19 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het inpassingsplan Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard.

Bijlagen bij regels

Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten

Vaststellingsbesluit

Regels

hoofdstuk 1 Inleidende regels

artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het inpassingsplan Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard met identificatienummer NL.IMRO.9928.DOSx2011x0000029GC-0002 van de provincie Zuid-Holland;

1.2 inpassingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarop een aanduiding betrekking heeft.

1.6 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.7 afgewerkt bouwterrein:

de gemiddelde hoogte van de gebouwen en andere bouwwerken omringende grond: bij hellende terreinen: het hoogste punt van de gebouwen en andere bouwwerken omringende grond.

1.8 agrologistiek:

bedrijvigheid waarvan de hoofdactiviteit betrekking heeft op (geconditioneerd) opslaan en/of labellen en/of prijzen en/of ompakken en/of distributie van producten afkomstig van bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en/of agrarische bedrijven.

1.9 agro- en foodgerelateerde bedrijven:

bedrijvigheid waarvan de hoofdactiviteit betrekking heeft op het toevoegen of ontlenen van waarde aan producten, afkomstig van bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en/of agrarische bedrijven, niet zijnde agrologistiek.

1.10 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

1.11 ander werk:

een werk, geen bouwwerk zijnde.

1.12 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

1.13 bebouwingsgrens:

de op de kaart, blijkens de daarop voorkomende verklaring, als zodanig aangegeven lijn, die door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze regels zijn toegestaan.

1.14 bebouwingspercentage:

een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.15 bedrijf:

een onderneming waarbij de bedrijfsactiviteiten gericht zijn op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen.

1.16 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten.

1.17 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.18 beperkt kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatsblad 2004, nr. 250) een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.

1.19 bestaand (in relatie tot bebouwing):

bebouwing aanwezig ten tijde van het terinzagelegging van van het ontwerpinpassingsplan.

1.20 bestaand (in relatie tot gebruik):

gebruik dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het inpassingsplan.

1.21 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.22 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.23 bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

1.24 be- en verwerking:

het van vorm of samenstelling veranderen van een product en/of het toevoegen van een ander product, hieronder wordt eveneens begrepen diepvriezen, verpakken, sorteren en wassen.

1.25 be- en verwerkende agrologistiek:

bedrijvigheid waarvan de hoofdactiviteit betrekking heeft op be- en verwerkingsactiviteiten van producten afkomstig van bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie en/of agrarische bedrijven in combinatie met distributie. Hieronder wordt niet begrepen bedrijvigheid als bedoeld onder 1.8 "agrologistiek".

1.26 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.27 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.28 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.29 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.30 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten.

1.31 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.32 doeleinden van openbaar nut:

kleinschalige nutsvoorzieningen, zoals transformatorhuisjes en schakelkastjes, ondergrondse lokale leidingen, tele- en datacommunicatieleidingen, riolering, telefooncellen en wachthuisjes, straatvoorzieningen (onder andere voor afvalstoffen).

1.33 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.34 hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.35 horecabedrijf:

een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken;
  • het exploiteren van zaalaccommodatie;
  • het verstrekken van nachtverblijf.
1.36 kwetsbaar object:

object zoals bedoel in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.37 ompakken:

het vervangen van reeds aanwezige consumentenverpakking en/of distributie zonder enige andere handeling aan de consumentenverpakking te verrichten dan labellen of prijzen.

1.38 overkapping:

een ander bouwwerk voorzien van een gesloten dak.

1.39 perceelsgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.40 risicovolle inrichting:

een inrichting bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

1.41 hotel:

een accommodatie waarin logies wordt verstrekt en waar eventueel afzonderlijke maaltijden, kleine etenswaren en dranken worden verstrekt aan gasten.

1.42 restaurant:

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken;

1.43 seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.44 Staat van Bedrijfsactiviteiten:

de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering zoals de lijst is opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten deeluitmakende van deze regels.

1.45 verpakken:

toevoegen van een consumentenverpakking aan een product.

1.46 voedings- en genotmiddelenindustrie:

een bedrijfsmatige activiteit die gericht is op vleesverwerking, visverwerking, groente- en fruitverwerking en/of gericht is op het vervaardigen, bewerken of verwerken van plantaardige en dierlijke oliën en vetten, zuivelproducten, meel, diervoeders, suiker, overige voedingsmiddelen/-supplementen, dranken en/of tabak.

1.47 weg:

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

1.48 Wro:

de Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand:

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een ander bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals liftkokers, glazenwasinstallaties, schoorstenen, antennes, collectieve energievoorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan het uiteinde of tip van de rotor in de hoogste stand;

2.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.7 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen;

2.8 peil:
  1. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
  2. voor andere gebouwen en andere bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.
2.9 vloeroppervlakte:

de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een afsluiterschema;
  2. ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren;
  3. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen, paden, parkeervoorzieningen, lichtvoorzieningen, erf- en terreinafscheidingen en groen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Toegestane bouwwerken:

Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht.

3.2.2 Bouwregels:

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. deze uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  2. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 4 meter;
  3. de bouwhoogte van schoorstenen ten behoeve van een afsluiterschema mag niet meer bedragen dan 30 meter.

artikel 4 Bedrijventerrein

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorie 3.1 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.1';
  2. agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3.1 en 3.2 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2';
  3. agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- of verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3.1, 3.2 en 4.1 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 4.1';
  4. [ Vervallen ];
  5. aan de hoofdactiviteit ondergeschikte kantoorfuncties tot maximaal 50% van het bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 3.000 m2 per bedrijf zoals genoemd onder a. tot en met c.;
  6. glastuinbouwbedrijven, uitsluitend op de verdiepingen van de onder a. tot en met c. bedoelde bedrijven;
  7. een bedrijfsactiviteit voor de productie van energie uit de vergisting, verbranding en/of vergassing van biomassa, inclusief bijbehorende voorzieningen, in de milieucategorie 3.2 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2' of 'bedrijf van categorie 4.1';
  8. ter plaatse van de aanduiding 'windturbine': uitsluitend een bedrijfsactiviteit voor de productie van energie uit wind, inclusief bijbehorende voorzieningen;
  9. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen collectieve energievoorzieningen;
  10. verkeersvoorzieningen in de zin van interne ontsluitingswegen met bijbehorende bermen, fietspaden en taluds;
  11. geluidwerende voorzieningen;
  12. groenvoorzieningen;
  13. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen;
  14. (collectieve) parkeervoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'parkeren uitgesloten': collectieve parkeervoorzieningen in de vorm van een (openbare) vrachtwagenparkeerplaats niet is toegestaan;
  15. een motorbrandstofverkooppunt zonder LPG, uitsluitend ter plaatse van een (openbare) vrachtwagenparkeerplaats.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden opgericht.

4.2.2 Bouwregels

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. deze uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde in onder i.;
  2. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%)' is aangegeven;
  3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. de afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 meter;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' geldt dat vanaf peil tot een hoogte van 8 meter geen bebouwing mag worden opgericht, behoudens de voor hogere opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' mag in afwijking op het bepaalde onder c. de bouwhoogte oplopen tot een hoogte van 20 meter, met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte + 2/5 van de afstand tot de grens met de bestemming 'Groen';
  7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' mag in afwijking op het bepaalde onder c. de bouwhoogte oplopen tot een hoogte van 30 meter, met dien verstande dat de hoogte niet meer mag bedragen dan de aangegeven bouwhoogte + 1/3 van de afstand tot de grens met de bestemming 'Verkeer' danwel met de bestemming 'Water';
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing' zijn geen gebouwen toegestaan;
  9. gebouwen zijn buiten het bouwvlak toegestaan, mits:
    1. sprake is van representatieve bebouwing in de vorm van bijbehorende kantoorruimten en ondersteunende functies;
    2. sprake is van een overbouwing, waarbij vanaf peil tot een hoogte van 5,5 meter geen bebouwing mag worden opgericht, behoudens de voor hogere opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies, zoals kolommen, toegangspartijen, trappen, liften en dergelijke;
    3. de oppervlakte van de ondersteuningsconstructies niet meer bedraagt dan 75 m2;
    4. de afstand van de bebouwing tot de voorste perceelsgrens niet minder bedraagt dan 10 meter;
    5. de afstand van de bebouwing tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 10 meter, met uitzondering van percelen op de hoeken van het bouwvlak waar de overbouwing tot aan (het verlengde van) het bouwvlak mag worden gebouwd;

Voor andere bouwwerken, niet zijnde windturbines, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 3 meter en elders niet meer dan 8 meter;
  2. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 6 meter;
  3. de bouwhoogte van de overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 40 meter.

Voor windturbines gelden de volgende regels:

  1. maximaal 1 windturbine mag worden opgericht binnen de aanduiding 'windturbine';
  2. de hoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan 150 meter.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning nadere eisen stellen aan de situering en afmetingen van de toegelaten bebouwing, een en ander ten behoeve van:

  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. de sociale veiligheid;
  4. de externe veiligheid in relatie tot omgevingsvergunningen voor een ammoniakkoelinstallatie binnen 180 meter van een windturbine;

alsmede ten behoeve van de brandwerendheid van de gevel binnen een afstand van 37 meter van het gasafblaaspunt in de bestemming 'Bedrijf – Nutsvoorziening'.

4.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  1. lid 4.2.2 onder d. en toestaan dat gebouwen aan één zijde op een kleinere afstand dan 5 meter van de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd;
  2. lid 4.2.2 onder h. teneinde gebouwen toe te staan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bebouwing'.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Aanpassing IJsselmondse Knoop

Tot het moment waarop het plandeel met de bestemming Verkeer, als bedoeld in artikel 8 van de regels, op de IJsselmondse Knoop is aangepast ten behoeve van aan adequate ontsluiting van het plangebied dient bij de verlening van een omgevingsvergunning te worden zeker gesteld dat niet meer dan 40 procent van het plandeel ten behoeve van de bestemming in gebruik wordt genomen.

4.5.2 Gebruik

Parkeren, laad- en losplaatsen, dienen plaats te vinden op eigen terrein en/of op (een) door bedrijven gezamenlijk ingericht(e) parkeerterrein(en). Voor het bepalen van de parkeernorm wordt gebruik gemaakt van de parkeernormen van het CROW (publicatie 182 "Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering, 3e gewijzigde druk, september 2008).

4.5.3 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van gronden en opstallen voor de uitoefening van een risicovolle inrichting, met uitzondering van koelinstallaties (ammoniakopslag), met dien verstande dat de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico is gelegen binnen de grens van die Bevi-inrichting, dan wel binnen aangrenzende gronden met een groen- of verkeersbestemming;
  2. het gebruik van gronden en opstallen voor een Wet geluidhinder-inrichting;
  3. het gebruik van gronden en opstallen voor de uitoefening van enige tak van detailhandelsdoeleinden, met uitzondering van de verkoop in het klein als niet zelfstandig onderdeel van het betreffende bedrijf, mits dit beperkt blijft tot op het eigen bedrijf geproduceerde of bewerkte producten, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak maximaal 100 m² mag bedragen;
  4. het gebruik van gronden en opstallen voor horeca, behoudens ondergeschikte kantine-activiteiten;
  5. het gebruik van gronden voor activiteiten die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit m.e.r. die m.e.r-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, tenzij deze activiteiten in de regels nadrukkelijk zijn toegestaan.
4.5.4 Afwijken van gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  1. [ Vervallen ];
  2. lid 4.1 onder a. tot en met c. teneinde agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie toe te staan die één categorie lager zijn dan de reeds toegelaten milieucategorie bedrijven, onder de volgende voorwaarden:
    1. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
    2. er treedt geen strijdigheid optreedt met de specifieke gebruiksregels opgenomen in lid 4.5.3;
  3. lid 4.1 teneinde toe te staan:
    1. kennis-, informatie- en onderzoeksinstellingen, laboratoria en een bedrijfsverzamelgebouw, mits deze ten dienste staan van de agrologistiek, agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en de agrarische sector;
    2. serviceverlenende bedrijven gelieerd aan de binnen het plangebied gevestigde bedrijven;
    3. een restaurant;

onder de volgende voorwaarden:

  • deze bedrijven vormen geen beperking voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de overige bedrijven in het plangebied;
  • er bestaan geen bezwaren vanuit het aspect externe veiligheid;
  • het bruto vloeroppervlak per restaurant bedraagt niet meer dan 1.000 m2.

artikel 5 Gemengd

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een woning;
  2. bedrijfsmatige activiteiten in de milieucategorie 1 en 2 uit de in de bijlage bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  3. maatschappelijke voorzieningen;
  4. recreatieve voorzieningen;
  5. horecavoorzieningen;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': ter bescherming en behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

5.2.2 Bouwregels

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' is aangegeven;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%) is aangegeven;

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van andere bouwwerken, waaronder terrein- en erfafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 3 meter.

artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groenvoorzieningen;
  2. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen;
  3. verkeersvoorzieningen in de vorm van wandel- en fietspaden alsmede bruggen voor het langzaam verkeer;
  4. extensief recreatief medegebruik;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'water': voor hoofdwatergangen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

6.2.2 Bouwregels

De bouwhoogte van in lid 6.2.1 bedoelde bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.

artikel 7 Horeca

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. een hotel- annex horecabedrijf met de daarbij behorende voorzieningen;

alsmede voor:

  1. (ontsluitings)wegen en andere verhardingen;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': ter bescherming en behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

7.2.2 Bouwregels

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage (%) is aangegeven;
  4. één parkeerdek mag worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 4.500 m2 en een maximale hoogte van 6 meter.

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van andere bouwwerken, waaronder terrein- en erfafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  2. één reclame-uiting is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 5 meter bovenop de geldende bouwhoogte van de gebouwen.

artikel 8 Verkeer

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. verkeersdoeleinden in de vorm van hoofdverbindingen met de daarbij behorende voorzieningen voor het langzaam verkeer en de ten behoeve van de verkeersdoeleinden benodigde bouwwerken en andere voorzieningen;
  2. geluidwerende voorzieningen;
  3. (collectieve) parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. waterlopen, waterpartijen en waterstaatkundige voorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Toegestane bouwwerken:

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

8.2.2 Bouwregels

De bouwhoogte van de in lid 8.1 bedoelde bouwwerken, anders dan ten behoeve van de verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en vervoer te water mag niet meer bedragen dan 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen niet meer mag bedragen dan 6 meter.

8.3 Specifieke gebruiksregels
8.3.1 Rijstroken

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden zijn wegen toegestaan met niet meer dan 2 rijstroken, met uitzondering van parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - maximum aantal rijstroken' de maximaal aangegeven rijstroken zijn toegestaan.

8.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het inrichten van de gronden in afwijking van de aangegeven dwarsprofielen en het maximum aantal rijstroken.

8.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.3 en toestaan dat van de aangegeven dwarsprofielen en het maximum aantal rijstroken wordt afgeweken:

  1. indien en voor zover uit overleg met de wegbeheerder blijkt dat daartegen uit hoofde van het wegbeheer, de verkeersveiligheid daaronder begrepen, geen bezwaar bestaat;
  2. indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Wet geluidhinder.

artikel 9 Water

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. water en waterstaatkundige voorzieningen;
  2. bermen, groenvoorzieningen, kunstwerken en kademuren;

alsmede voor:

  1. bruggen voor het langzaam verkeer;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overhangende bouwdelen': overhangende bouwdelen (inclusief ondersteunende bouwconstructies) van de op de aangrenzende bestemming 'Bedrijventerrein' toegestane gebouwen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Toegestane bouwwerken

Op de in lid 9.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, waaronder begrepen:

  1. waterstaatkundige voorzieningen, zoals peilregulerende kunstwerken;
  2. andere bouwwerken ten dienste van kruisende verkeersbestemmingen, zoals bruggen en duikers;
  3. bruggen;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - overhangende bouwdelen': gebouwen.
9.2.2 Bouwregels

Voor andere bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van andere bouwwerken, waaronder waterstaatkundige voorzieningen en bruggen, mag niet meer bedragen dan 5 meter.

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen uitsluitend zijn toegestaan in de vorm van overhangende bouwdelen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 20 meter, met dien verstande dat de hoogte van de bebouwingvrije ruimte onder de overhangende bouwdelen niet minder mag bedragen dan 8 meter (met uitzondering van ondersteunende bouwcontructies);
  3. het bebouwingspercentage van het aanduidingsvlak mag niet meer bedragen dan 30.

artikel 10 Leiding - Gas

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aanleg en instandhouding, het gebruik en het onderhoud van een aardgastransportleiding.

10.2 Bouwregels

Op de in lid 10.1 bedoelde gronden zijn geen bouwwerken toegestaan, anders dan ten behoeve van het bepaalde in lid 10.1, behoudens bestaande bouwwerken.

10.3 Afwijken van de bouwregels
  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 10.2, voor het toestaan van bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen.
  2. De bouwwerken als bedoeld onder a. zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, de aardgastransportleiding niet wordt geschaad;
  3. Alvorens af te wijken vraagt het bevoegd gezag advies aan de beheerder van de gasleiding.
10.4 Specifieke gebruiksregels

Binnen de bestemming zijn geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten toegestaan, behoudens bestaande objecten.

10.5 Afwijken van de gebruiksregels
  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 10.4, voor het toestaan van een beperkt kwetsbaar object, mits de noodzaak van de aanwezigheid van een beperkt kwetsbaar object binnen de contour van het plaatsgebonden risico gemotiveerd kan worden, alsmede een verantwoording wordt gegeven van het groepsrisico.
  2. Alvorens af te wijken vraagt het bevoegd gezag advies aan de beheerder van de gasleiding.
10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Het is verboden op of in de in deze bestemming bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van bevoegd gezag de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook wordt gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van een drainage, ontginnen en het ophogen van gronden;
    2. het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
    3. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand;
    4. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
    5. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    6. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
    7. het permanent opslaan van goederen;
    8. het aanleggen, vergraven, verruimten of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
  2. Het onder a. vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
    1. het normale onderhoud en beheer betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
    3. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.
  3. Alvorens omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te verlenen vragen Burgemeester en wethouders advies aan de beheerder van de gasleiding.

artikel 11 Waarde - Archeologie

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en-of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

11.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de regel dat bouwwerken, anders dan ten behoeve van uit te voeren archeologisch onderzoek volgens de normen van de archeologische beroepsgroep, niet zijn toegestaan.

11.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 11.2 met inachtneming van de volgende regels:

  1. Omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor bouwwerken, in overeenstemming met de bouwregels van de andere, voor die gronden aangewezen bestemmingen.
  2. De bouwwerken als bedoeld onder a. zijn slechts toelaatbaar indien door die bouwwerken dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de in lid 11.1 genoemde doeleinden ontstaat.
  3. Burgemeester en wethouders kunnen, ter beoordeling van het bepaalde onder b., de aanvrager van de afwijking verplichten een onderzoeksrapportage te overleggen waarin wordt aangetoond dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt.
11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  1. Het is verboden op of in de in deze bestemming bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe in elk geval wordt gerekend het afgegraven, ontginnen, woelen, mengen en diepploegen alsmede het aanbrengen van drainages of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, indien en voor zover de bedoelde grondwerkzaamheden worden uitgevoerd op een diepte beneden maaiveld vanaf 0,5 meter;
    2. het ophogen van gronden met meer dan 30 cm;
    3. het uitvoeren van werkzaamheden met als gevolg verlaging van de grondwaterstand;
  2. het onder a. vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
    1. het normale onderhoud en beheer betreffen;
    2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
    3. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.

artikel 12 Waterstaat - Waterkering

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterkering met de daarbij behorende bouwwerken en andere werken.

12.2 Bouwregels

Op de in lid 12.1 bedoelde gronden mogen:

  1. uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de hoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 meter;
  2. geen andere bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd.
12.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 12.2 onder b. ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:

  1. de waterstaatsbelangen dit toelaten;
  2. advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend.
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van Burgemeester en wethouders binnen de in lid 12.1 bedoelde bestemming de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

  1. het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen;
  2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven dan wel indrijven van voorwerpen;
  3. het uitvoeren van grondwerkzaamheden;
  4. het aanbrengen van oppervlakteverharding.
12.4.2 Uitzondering op verbod

Het bepaalde in lid 12.4.1 is niet van toepassing op het uitvoeren van werken en werkzaamheden:

  1. in het kader van het onderhoud of beheer van de waterkering;
  2. van geringe omvang of gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van de waterkering;
  3. van niet ingrijpende betekenis.
12.4.3 Voorwaarden op omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien door de werken en werkzaamheden geen schade kan ontstaan aan de waterkering.

12.4.4 Advies

In het kader van de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt door Burgemeester en wethouders schriftelijk advies ingewonnen bij de waterbeheerder.

hoofdstuk 3 Algemene regels

artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 veiligheidszone - windturbine
14.1.1 Aanduidingsomschrijving:

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het werk- en leefklimaat in verband met een windturbine.

14.1.2 Bouwregels:

In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen mogen geen gebouwen worden gebouwd.

14.1.3 Specifieke gebruiksregel:

De contour van het plaatsgebonden risico (10 -5) van een windturbine mag niet buiten de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine' liggen.

artikel 15 Algemene bouwregels

15.1 Ondergronds bouwen

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

15.2 Bouwdelen buiten bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelsieringen, gevel- en kroonlijsten, liftkokers, glazenwasinstallaties, collectieve energievoorzieningen, ventilatiekanalen, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits:

  1. de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 meter bedraagt;
  2. de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet plaatsvindt boven openbare ruimten.
15.3 Parkeernormen

Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen in gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie, inclusief parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers. Voor het bepalen van de parkeernorm wordt gebruik gemaakt van de parkeernormen van het CROW (publicatie 182 "Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering, 3e gewijzigde druk, september 2008).

15.4 vrijwaringszone - weg

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' is het niet toegestaan om te bouwen, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de infrastructurele voorziening alsmede voor doeleinden van openbaar nut zoals bedoeld in artikel 1.32.

artikel 16 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de hoogtematen van gebouwen anders dan bepaald in artikel 16 onder f.;
  2. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  3. de bestemmingsregels voor het bouwen teneinde een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bestemmingsgrenzen toe te staan dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt;
  4. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van andere bouwwerken en toestaan dat de hoogte van andere bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter;
  5. de bestemmingsregels ten aanzien van de hoogte van andere bouwwerken en toestaan dat de hoogte van andere bouwwerken ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter;
  6. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen wordt vergroot, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en collectieve energievoorzieningen, mits:
    1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% bedraagt van de oppervlakte van het bouwwerk tot een maximum van 100 m2;
    2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt;

mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de milieusituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden;

van de aangrenzende gronden.

artikel 17 Algemene wijzigingsregels

17.1 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

  1. het oprichten van gebouwen ten dienste van (openbare) nutsvoorzieningen met een bovengrondse inhoud van ten hoogste 150 m3 en een goothoogte van ten hoogste 4 meter, zulks voor zover deze op grond van het bepaalde in artikel 16 (Algemene afwijkingsregels) niet kunnen worden gebouwd;
  2. een afwijking ten aanzien van de voorgeschreven bouwhoogtescheidingslijnen, bouwhoogte van andere bouwwerken, grondoppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanduidingen, eventueel met een overschrijding van de bouwgrenzen, mits deze afwijkingen niet meer bedraagt dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;
  3. een vanuit het oogpunt van doelmatig gebruik noodzakelijke afwijking ten aanzien van de voorgeschreven bouwhoogtescheidingslijnen, bouwhoogte van andere bouwwerken, grondoppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met een overschrijding van de bouwgrens of de bestemmingsgrens, mits deze afwijkingen meer bedragen dan 10% maar minder dan 20% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages.
17.2 [ Vervallen ]

17.3 Wijziging bedrijventerrein - horeca

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen teneinde de bestemming 'Bedrijventerrein' ter plaatse van de aanduiding ''wetgevingzone - wijzigingsgebied-1' te wijzigen in de bestemming 'Horeca', met dien verstande dat:

  1. de bouwregels niet wijzigen ten opzichte van de bestemming 'Bedrijventerrein';
  2. voorzien dient te worden in een toereikende (calamiteiten)ontsluiting;
  3. bij de onderbouwing van de wijzigingsbevoegdheid de verantwoording van het groepsrisico wordt ingevuld conform artikel 13 van het Bevi.
17.4 Wijziging - bouwen boven verkeer

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen teneinde bebouwing ten behoeve van logistieke verbindingen/ ontsluitingen toe te staan boven gronden met de bestemming 'Verkeer' alsmede boven gronden zonder bouwvlak in de bestemming 'Bedrijventerrein', met dien verstande dat geen bebouwing is toegestaan vanaf peil tot een hoogte van 8 meter, behoudens de voor hogere opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies.

17.5 Wijziging - archeologie

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de grens van de bestemming 'Waarde - Archeologie' te wijzigen indien en voor zover op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld.

17.6 [ Vervallen ]

17.7 Wijziging - bedrijventerrein

Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen teneinde de bestemming 'Groen' ter hoogte van de Rijksstraatweg te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein' mits een afstand van ten minste 100 meter wordt aangehouden van de bestemming 'Bedrijventerrein' tot woonpercelen en een afstand van ten minste 20 meter van de bestemming 'Bedrijventerrein' tot de plangrens.

hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
18.2 Afwijking

Gedeputeerde Staten kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 18.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 18.1 met maximaal 10%.

18.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 18.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 18.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 18.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 18.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

artikel 19 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het inpassingsplan Bedrijventerrein Nieuw Reijerwaard.

Bijlagen bij regels

Heading 1

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Phasellus nec tortor eu risus pulvinar scelerisque ac sit amet tortor. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Aliquam erat volutpat. Quisque nec porta orci, eu condimentum neque. Mauris vulputate efficitur maximus. Sed non massa ac augue commodo efficitur quis facilisis leo. Mauris sit amet neque nisi. Vivamus ut magna eu nisl finibus luctus. Maecenas et ligula eu nisl tempor tristique.

Heading 2

Quisque quis pretium purus, et accumsan purus. Sed ornare quam in suscipit tincidunt. Cras pulvinar augue neque, non condimentum purus porta in. Nunc urna massa, ullamcorper vel rhoncus nec, consectetur eget turpis. Pellentesque quis porttitor lacus. Fusce bibendum vitae diam at scelerisque. Pellentesque suscipit leo at libero luctus, in mattis diam tincidunt. Nullam non nunc ligula. Nam rhoncus tincidunt condimentum. Duis pellentesque diam nec tincidunt feugiat. Nunc at velit leo. Nam erat lacus, viverra eu sagittis eget, rhoncus vitae massa. Nulla vitae venenatis dolor. Fusce id vestibulum risus. In et volutpat orci.

Fusce finibus ex elit, eget posuere risus feugiat at. Nullam quis laoreet lectus. Integer tempus pellentesque felis eget vulputate. Nullam vitae pellentesque mi, vel aliquet lectus. Cras volutpat venenatis venenatis. Fusce scelerisque maximus orci, ullamcorper vehicula sapien. Nulla eget ipsum enim. Vivamus lorem massa, lacinia nec fermentum ut, eleifend ac nunc.

Cras venenatis, ante et interdum consequat, eros nunc maximus risus, in dictum orci nisl malesuada dui. Quisque quis sagittis ante. Fusce venenatis ex id vehicula viverra. Aliquam a nunc non ante rutrum vestibulum. Morbi venenatis urna a aliquam accumsan. Nullam ac dictum mauris, et lacinia velit. Aenean ornare, ante non molestie viverra, nisi neque sodales urna, bibendum tincidunt velit turpis sit amet ex.

Fusce ut pulvinar orci. Pellentesque diam ipsum, dictum ut augue non, consequat sollicitudin ligula. Vestibulum sodales lacinia quam, ut fringilla magna semper vel. Suspendisse accumsan blandit augue vestibulum auctor. Etiam pretium magna ut felis porta bibendum. Sed ligula metus, posuere vitae mauris quis, malesuada consectetur diam. Nulla eget pulvinar purus. Cras suscipit condimentum felis, sit amet luctus massa fermentum in. Etiam et rutrum nisl. Nam eget eleifend nunc, in dapibus massa. Donec hendrerit, purus eget lobortis vulputate, magna nunc placerat dui, in vulputate nisi sem eu dolor. Aenean lobortis enim a imperdiet ultricies. Aenean fringilla semper efficitur. Phasellus ornare tempor convallis.